Collegetour Innovatie

Wat mij van de College Tour vooral is bijgebleven, is het ogenschijnlijk gebrek aan begrip van innovatie bij presentator en publiek.

Twee maanden geleden was Daan Roosegaarde te gast bij het programma College Tour. Hij was tijdens de opnames, enkele dagen voor de uitzending, weggelopen, wat goeie marketing bleek voor zowel College Tour als voor Roosegaarde zelf.

Wat mij van de uitzending vooral is bijgebleven, is het ogenschijnlijk gebrek aan begrip van innovatie bij presentator en publiek. Voor mij is Roosegaarde namelijk in veel opzichten een innovatief ondernemer. Iets wat we in ons innovatieve start-upland belangrijk vinden. Toch?

Critici betwijfelen of Roosegaarde als kunstenaar en ontwerper wel autonoom is, omdat hij te veel zou interacteren met politici, koningshuis, wetenschappers en andere kunstenaars. Zijn reactie is dat je juist contact moet maken met je omgeving als je impact wilt hebben.

Deze reactie is volledig in lijn met de kennis over innovatie waarin concepten als ‘open innovatie’, ‘innovatiesystemen’ en ‘lead user innovation’ niet weg te denken zijn. Innovatie komt niet tot stand in een vacuüm. En dat deed menig innovatief bedrijf al in de jaren tachtig en negentig besluiten anderen bij hun innovatieproces te betrekken. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het NatLab van Philips, dat van een intern gericht en gesloten faciliteit werd omgetoverd tot de open High Tech Campus.

Voor mij is Roosegaarde in veel opzichten een innovatief ondernemer. Iets wat we in ons innovatieve start-upland belangrijk vinden. Toch?

 

Daarnaast zou Roosegaarde ideeën van anderen stelen voor zijn eigen werk en gewin. Echter, sinds de eerste helft van de vorige eeuw is al bekend dat innovaties altijd bestaan uit nieuwe combinaties van bestaande kennis. Denk bijvoorbeeld aan de iPod van Apple, die een combinatie is van innovaties van anderen (zie kader hieronder). Of denk aan de elektrische auto. De kennis die hiervoor nodig is, is terug te leiden tot meneer Tesla himself. Toch lukt het het bedrijf Tesla nu pas de elektrische auto succesvol in de markt te zetten.

Natuurlijk moeten we de oorsprong van die ideeën niet vergeten, maar laten we mensen als Roosegaarde waarderen om hun innovativiteit. Innovatief ondernemerschap vergt het combineren van bestaande kennis in interactie met je omgeving. Dit is complex, risicovol en een vak apart. Als we innovatief ondernemerschap belangrijk vinden, moeten we de mensen die deze uitdaging aangaan belonen, in plaats van wantrouwen.

Schermafbeelding 2016-06-02 om 11.41.37

Steve Jobs of no jobs?

Richard Branson, Mark Zuckerberg, Steve Jobs: het zijn allemaal succesvolle ondernemers die hun school nooit hebben afgemaakt. Succesvolle ‘drop-outs’, zogezegd. Ze zorgen ervoor dat menigeen denkt dat, om een succesvol ondernemer te worden, het beter is om je opleiding niet af te maken.

Marijn van Weele was al eerder kritisch op deze volkswijsheid. Maar laten we het idee niet meteen afserveren: tijd voor een tweede ronde.

Onlangs bezocht Bram Timmermans onze onderzoeksgroep met een nieuw onderzoek over de Deense arbeidsmarkt. Hij relateert twee negatieve gevolgen van het stoppen met je opleiding aan ondernemerschap.

Ten eerste beperkt het stoppen met je opleiding het opdoen van vaardigheden. Ten tweede geeft het niet afmaken van je opleiding het signaal dat je niet in staat bent zaken af te maken.

Beide gevolgen verkleinen de kans op succesvol ondernemen, waarbij je die vaardigheden en doorzettings­vermogen hard nodig hebt. Maar: de negatieve gevolgen van vroegtijdig schoolverlaten leiden tegelijk tot verminderde kansen op een betaalde baan, en dat maakt het ondernemerschap voor drop-outs weer aantrekkelijker.

Schermafbeelding 2016-04-25 om 14.53.02

 

Verder lezen: http://vbn.aau.dk/en/publications/steve-jobs-or-no-jobs-entrepreneurial-activity-and-performance-among-danish-college-dropouts-and-graduates.html

 

Niet iedereen kan een Facebook zijn

Vandaag word ik 32. En zoals elk jaar ben ik daarmee Mark Zuckerberg twee maanden voor. Behalve dat we beiden net een kind hebben en beiden ondernemer zijn, houdt de vergelijking verder snel op. Een en ander heeft ongetwijfeld te maken met het succes van Facebook: een van de snelst groeiende en later ook winstgevendste bedrijven van de afgelopen tijd.

De teneur in start-upland was jarenlang: groter, groter, groter. Maar inmiddels worden er openlijk vraagtekens gesteld bij die focus op groei. Dit om meerdere redenen. De groeimanie waarin ondernemers en investeerders elkaar gek maken, creëert een start-upzeepbel. De zucht naar groei verleidt bedrijven bovendien om de wet te overtreden, zoals al eerder in het FD werd opgemerkt.

Zweedse en Australische onderzoekers stelden de vraag of vroege groei inderdaad een voorbode is voor succes. Erkennend dat bedrijven in het beginstadium een afweging moeten maken tussen winst of en groei, vergeleken ze die twee varianten bij ruim 7000 bedrijven.

De bedrijven die eerst winst genereren, blijken zich vaker te ontwikkelen tot een groeiend én renderend bedrijf dan bedrijven die eerst groei realiseren. Voor startende bedrijven in het algemeen geldt dus: zorg eerst dat je een waardevol product hebt waarvoor men bereid is te betalen en ga dan pas groeien.

Ondanks de statistische verbanden en theoretische onderbouwing lijkt dit volledig in te gaan tegen de strategie van veel moderne start-ups. Volgens mij zijn er ten minste drie uitzonderingen op de regel die uit dit onderzoek komt:

· platforms creëren een plek waar vraag en aanbod samenkomen. Hoe groter het platform, hoe waardevoller: ‘winner takes all’;

· sociale netwerken verbinden gebruikers rondom een bepaald onderwerp. Ook hier geldt: hoe groter hoe beter. Het verdienmodel is doorgaans gebaseerd op advertenties en data van ­gebruikers;

· monopoliestrevers proberen door snel te groeien eerst zeer dominant te worden in een bepaalde markt. Daarna gebruiken zij hun monopoliepositie om geld te verdienen.

Er zijn dus goede redenen dat een startend bedrijf zich eerst op groei richt. Bekende voorbeelden illustreren het potentiële succes. Maar laten we niet doen alsof alle start-ups Facebooks zijn en laten we geen enorme groei van hen verwachten voordat ze hun verdienmodel hebben gevonden.

Start-ups moet je niet teveel helpen

In Nederland werken honderden mensen aan het stimuleren en ondersteunen van ondernemerschap: incubators, accelerators, overheden, ontwikkelingsmaatschappijen en economic boards. Dat is zinvol, want hoewel startups economisch meetellen, zijn ze vrij kwetsbaar. Ongeveer één derde overleeft het eerste jaar niet, en ruim de helft is na vijf jaar weg. Aan alle stimulators en ondersteuners dus de schone taak om deze statistieken te verbeteren.

Omdat start-ups ondersteunen lastig is, was de aanpak tot nu toe vraaggericht: laat startupondernemers zelf aangeven waar de knelpunten zitten, en neem die dan weg.

Maar als je startup-ondernemers vraagt wat het probleem is, zeggen ze vaak dat er te weinig geld is. Daarom is het beleid er nu veelal op gericht om het leven van de startup gemakkelijker te maken: met goedkope bedrijfsruimte, aantrekkelijke financiering en belastingvoordelen.

Vanuit de managementliteratuur weten we echter dat niet-unieke middelen, zoals geld, nooit de sleutel zijn tot lange-termijn succes. Onderzoek naar incubators toont zelfs aan dat het aanbieden van triviale middelen negatief kan werken. Je hebt de unieke middelen nodig die moeilijk te kopiëren zijn, zoals technologie, imago, kennis of de samenwerkingsrelatie.

Waarop lopen start-ups dan vast? CBInsights, een bedrijf dat start-updata verzamelt en verkoopt, houdt bij waarom startups mislukken (zie kader). Volgens de ondernemers en de investeerders heeft dat meestal niet met geld te maken. Geldgebrek staat wel op plaats 2, maar is hier vooral een symptoom. De echte reden is dan het ontbreken van een markt of een goed team.

Gelukkig dringt dit besef door bij incubators en accelerators en richten die zich op het vormen van start-upteams en het valideren van het idee. Toch klinken er af en toe nog steeds de oproep om startups in de watten te leggen. Maar slaafs hun verlanglijstjes vervullen is dus niet echt zinvol.

 

 

Schermafbeelding 2016-02-20 om 13.49.09

 

Verder lezen:

 

 

 

Gecontroleerde verstoring

We weten dat de komende decennia veranderingen nodig zijn in onder meer de energiesector, de banken en de zorg. In dat proces is een belangrijke rol weggelegd voor ondernemers. Die herkennen ongewone kansen en durven andere risico’s te nemen dan bestaande spelers.

Er is dus veel aandacht voor startups: bij Neelie Kroes, incubators, universiteiten, regionale spelers en bij investeerders. Die aandacht draagt bij aan de groei van startups die bestaande sectoren verstoren en onze economie voorzien van de nodige vernieuwing.

Maar er zit ook een andere kant aan deze veranderingen. Het verstoren van bestaande sectoren brengt namelijk kosten met zich mee. Bestaande bedrijven gaan failliet omdat ze zich niet kunnen aanpassen aan de verandering.

Een recent voorbeeld is V&D, dat het aflegde tegen nieuwe spelers als Bol.com en Cool Blue. Hierdoor zitten de oude toeleveranciers van V&D nu met onbetaalde facturen, verliezen mensen hun baan, zitten vastgoedeigenaren met lege gebouwen en kunnen we met V&D-bonnen alleen nog de open haard aansteken.

De keerzijde van grote verstoringen treft niet alleen de retail. Denk bijvoorbeeld aan wat Airbnb losmaakt onder hoteleigenaren. Of aan de kosten van het sluiten van kolencentrales. Bestaande spelers komen in moeilijkheden, claimen bescherming of compensatie en vakbonden uiten hun zorgen over de werkenden.

De positieve en verstorende kanten van verandering worden zelden met elkaar in verband gebracht. De meeste organisaties bevinden zich van nature aan een van de twee kanten en de botsing ertussen laten we over aan toeval. Maar hoe verhouden de korte termijnkosten van een verstoorde sector zich tot de lange termijnbaten van de verandering? Hoe verhouden de nadelen van een mogelijk failliet Shell zich tot de voordelen van een duurzaam energiesysteem dat grotendeels nog gebouwd moet worden?

De beantwoording van dit soort vragen vergt niet alleen onderzoek naar de kosten en baten van verandering. Het komt uiteindelijk neer op een normatieve discussie en politieke afwegingen. Ik ben benieuwd welke partij de twee zijden van verandering kan verbinden in zijn programma. Wie maakt zich sterk voor gecontroleerde verstoring?

 

Schermafbeelding 2016-01-30 om 11.20.59

Afbeelding van [finno], via Sprout.nl

Further reading: Meadowcroft 2009

 

 

Wanneer is het genoeg?

Met ‘ver-überisering’ als één van de kandidaten voor het Woord van afgelopen jaar, is ondernemerschap mainstream. Start-ups zijn hip en worden alom bejubeld in DWDD en op verjaardagen. We hebben dan ook hoge verwachtingen van start-ups: nieuwe generaties medicijnen of oplossingen voor klimaatverandering worden gecombineerd met een spectaculair rendement voor investeerders en veel nieuwe banen. In toenemende mate wordt het je gemakkelijk gemaakt om een bedrijf te starten en een leven als ondernemer wordt rooskleurig voorgesteld: wie wil nou niet een ingesufte sector ‘ver-überiseren’? Dankzij al die positieve aandacht voor ondernemerschap starten meer en meer mensen een bedrijf (zie grafiek).

Maar wat als we doorschieten? Kunnen er ook teveel ondernemers zijn?

Iemand kan maar op één plek tegelijk zijn, en als je aan het ondernemen bent, werk je doorgaans niet voor een baas. Ik kwam laatst iemand tegen die zijn goede, maar ietwat degelijke baan bij de overheid had opgezegd om zich op het startup-bestaan te storten. Hoewel hij een sympathiek idee heeft, verwacht hij noch ik dat het echt een groot succes gaat worden. Tien jaar geleden was het niet in hem op gekomen, maar nu drinkt hij café lattes in de Coffee Company en werkt hij in een co-working space. En voor hetzelfde geld gaat het binnen een paar maanden mis en heeft hij vooral z’n spaargeld verloren.

Vanuit macro-economisch perspectief kun je je afvragen of deze persoon niet beter als een productieve professional op de loonlijst van de overheid had kunnen blijven. Ook vooraanstaande wetenschappers zetten in toenemende mate vraagtekens bij veel beleid dat zich richt op zo veel mogelijk mensen aan het ondernemen te krijgen. Ten eerste heeft niet iedereen de capaciteiten die nodig zijn om te ondernemen. Verder zijn veruit de meeste nieuwe ondernemingen niet innovatief. Ze creëren niet veel banen en ze dragen weinig bij aan de economie. Slechts enkelen maken de hoge verwachtingen waar.

Ondernemers vormen een essentieel onderdeel van de economie. Maar hoeveel ondernemerschap hebben we precies nodig? Daarop is naar mijn weten nog geen bevredigend antwoord.

Wat ik wel weet, is dat het kritiekloos bejubelen en veel te rooskleurig voorstellen van de startup-wereld voor niemand goed is.

insights

 

Further reading:

Further watching:

DRUID15 DEBATE on ENTREPRENEURSHIP POLICY from DRUID on Vimeo.

 

 

 

Incubators, maak uw succes meetbaar

Er zijn zeker zestig incubators en versnellingsprogramma’s in Nederland die start-upactiviteiten ondersteunen. Hun websites laten mooie cijfers zien, zoals het aantal start-ups, de opgehaalde financiering en gecreëerde banen (zie kader). Maar hoe meet je het succes van deze start-upprogramma’s eigenlijk? En welk start-upprogramma doet het nu het beste? Deze vragen blijken niet eenvoudig te beantwoorden.

Allereerst, hoe meet je succes? Dat hangt er sterk vanaf aan wie je het vraagt. Start-upondernemers zullen het succes van het programma baseren op wat het programma bijdraagt aan hun eigen start-up. Voor de mensen achter private programma’s is uiteindelijk de winstgevendheid van het programma van belang. Bij start-upprogramma’s van de universiteit is de bijdrage aan valorisatie en een ondernemend imago belangrijk. En bij programma’s waar de overheid meefinanciert, is de werkgelegenheid van belang.

Om een volledig beeld te schetsen van het succes van een start-upprogramma, heb je dus meerdere indicatoren nodig die passen bij de uiteenlopende belangen van betrokkenen.

Een andere vraag is, hoe was het allemaal gegaan zonder start-upprogramma’s? Waren de start-ups dan minder hard gegroeid? Het probleem is dat een vergelijking nauwelijks te maken is. De start-ups die worden toegelaten tot de programma’s zijn namelijk fundamenteel anders dan de start-ups die niet deelnemen. Met name veelbelovende start-ups worden geselecteerd. Als na een aantal maanden blijkt dat de deelnemende start-ups harder groeien dan niet-deelnemende start-ups, dan is de vraag: komt dat door de selectie of dankzij de ondersteuning?

Op deze vragen ontbreken tot nog toe dus goede antwoorden. De start-upprogramma’s hebben wel hun eigen cijfers, maar kunnen deze vaak niet goed vergelijken met die van andere programma’s. De meeste cijfers zijn niet openbaar en onvergelijkbaar.

Ik roep start-upprogramma’s daarom op rond de tafel te gaan zitten om het hierover te hebben. Met de juiste cijfers kunnen ze de wereld van de start-upprogramma’s in Nederland verbeteren en maximaal bijdragen aan het start-up-ecosysteem.

Further readings:

De beste pitch is een podcast over pitchen

Wandelend over West Pico Boulevard in San Francisco probeert de onervaren ondernemer Alex Blumberg ‘hot shot investor’ Chris Sacca ervan te overtuigen geld in zijn start-up te steken. Blumberg heeft zijn powerpoint voor niets meegenomen: hij moet zijn verhaal al wandelend doen, maar komt niet goed uit zijn woorden. Sacca reageert vriendelijk, maar is duidelijk niet onder de indruk. Hij draait de rollen om: Sacca pitcht Blumberg’s start-up, en doet dat pijnlijk veel beter dan Blumberg.

Deze scene speelt zich af in de eerste aflevering van de podcast-show ‘StartUp’, waarin we luisteren hoe Blumberg zijn podcast-startup opricht. Het is een autobiografisch, vermakelijk en goed verteld verhaal van hoe hij met vallen en opstaan verder ploetert. Een aanrader! Maar de investeerders blijven de eerste afleveringen terughoudend als hij zijn start-up pitcht. Hoe geef je eigenlijk een goede pitch aan investeerders?

Uit onderzoek naar meer dan honderd pitches in de tv-programma’s Dragon’s Den en Sharktank komen twee belangrijke factoren naar voren. De eerste is de mate waarin de ondernemer een logisch en coherent verhaal vertelt en de feiten kent. Bereid je dus goed voor.

De tweede factor is de legitimiteit van de pitchende ondernemer en zijn of haar startup. Deze legitimiteit ontstaat door het beslechten van een paradox. Aan de ene kant moet je onderscheidend zijn en de investeerder overtuigen dat jij en jouw idee van unieke klasse zijn om de klant te bedienen. Aan de andere kant moet je betrouwbaar en geloofwaardig overkomen, wat je juist doet door je te conformeren aan de norm. De uitdaging is om deze paradox op te lossen: wees onderscheidend en conformerend tegelijkertijd.

Voor Blumberg blijkt het uitbrengen van de podcast een gouden vondst. StartUp slaat niet alleen aan onder luisteraars, ook investeerders zijn ervan gecharmeerd. De show zit goed in elkaar, waarmee Blumberg toont dat hij weet waarover hij het heeft.

Bovendien laat het succes van de show zien dat deze legitiem is. Het bedrijf verkocht zichzelf en onder zowel investeerders als luisteraars haalde Blumberg uiteindelijk $ 1,5 miljoen op. De podcast is misschien wel de beste ‘pitch’ die je kunt geven.

Pitch verpesten

  • Je pitcht pakt slecht uit als je wordt geassocieerd met onderstaande types:
  • De meeloper: Linksom of rechtsom, je vind het eigenlijk allemaal wel best.
  • De robot: Dreun je presentatie mechanisch op uit het hoofd.
  • De autoverkoper: Overlaad de luisteraar met onaangenaam veel argumenten.
  • De bedelaar: Smeek om het geld als een hulpbehoevende.

Bron: Harvard Business Review, How to Pitch a Brilliant Idea

Wolven in schaapskleren?

Uber schudt de taximarkt op en Airbnb de hotelmarkt. In Nederland daagt Blendle uitgevers van kranten en tijdschriften uit door losse artikelen te verkopen. Start-ups vernieuwen zo traditionele bedrijfstakken.

Voor veel gevestigde bedrijven is radicaal innoveren niet gemakkelijk. Dat komt doordat ze gericht zijn op het exploiteren van gemaakte investeringen: je biedt niet snel losse artikelen online aan als je gewend bent het hele tijdschrift te verkopen. Innovatieve ideeën sneuvelen vaak onder de druk van interne belangen. Start-ups hebben daar geen last van en worden niet beïnvloed door een corporate bedrijfscultuur.

Om te profiteren van de innovatiekracht van startups reserveren grote bedrijven jaarlijks honderden miljoenen om te investeren in start-ups. Dit wordt onder andere gestoken in corporate incubation programma’s. Deze programma’s bieden start-ups financiering, publiciteit en businesscoaching.

Soms worden programma’s door één enkel bedrijf opgezet. Dit biedt controle over het proces en de uitkomsten. Vaker werken bedrijven samen met sectorgenoten, accelerators of venture capital partijen. Op deze manier hoeven ze niet alle kennis zelf te ontwikkelen en kunnen ze de risico’s delen.

Dit soort programma’s schieten als paddenstoelen uit de grond (zie kader) en de populariteit onder start-ups is groot. Toch zijn er ook risico’s, als gevolg van uiteenlopende belangen. Corporate incubation wordt door sommige bedrijven vooral gedaan voor het innovatieve imago. Waar de droom van de start-up is om de sector te transformeren, wil het bedrijf de situatie misschien in stand houden. Wat ook voorkomt is dat technologiebedrijven start-ups overnemen vanwege het programmeertalent, en niet voor de software van de startup.

Start-ups dienen dus een inschatting te maken van hoe hun belangen zich verhouden tot die van de partijen achter het programma. Als dat goed zit, kunnen ze een waardevolle bijdrage leveren en daadwerkelijk tot wederzijds voordeel leiden. Zo niet, dan kan de ogenschijnlijk uitgestoken hand een start-updroom later ook belemmeren.

 

Corporincubators

Renew the book is een initiatief van de uitgeefbranche. Het programma wordt georganiseerd met Rockstart en start deze week.

Ahold organiseert samen met Startupbootcamp een e-commerce programma. Het programma loopt bijna een maand en bevat 10 startups.

Ruim twee weken geleden werd De Brauw Legal Innovation Challenge gelanceerd, een prijsvraag voor juridische bedrijfsideeën.

Zorg dat je het netwerk begrijpt

Een van de belangrijkste dingen die start-up-programma’s zoals incubators en accelerators doen, is het bouwen van netwerken. Via deze netwerken vinden start-ups kapitaal, marktkennis en technologische kennis. De grote vraag is: bij wat voor een netwerk is de start-up het meest gebaat? Het netwerk kan namelijk homogeen zijn, met vergelijkbare organisaties die in hetzelfde veld opereren. Maar het netwerk kan ook divers zijn, met investeerders, onderzoekers, klanten, toeleveranciers en overheden. Een uitgebreid Amerikaans onderzoek van Amezcua en collega’s uit 2014 laat zien dat dit afhangt van de hoeveelheid concurrentie die de start-up ondervindt.

Wanneer er weinig concurrentie is, heeft de startup vooral veel aan een homogeen netwerk. Dit leidt tot maar liefst 75% minder faillissementen. De voordelen van samenwerking, zoals het uitwisselen van kennis of het verbeteren van de reputatie van de bedrijfstak, wegen ruimschoots op tegen de risico’s dat andere start-ups informatie stelen of marktaandeel afpakken. Gediversifieerde netwerken blijken in deze omgeving juist nadelig en leiden tot 70% meer faillissementen onder de start-ups. De activiteiten van de start-up zijn relatief onbekend en praten met mensen die er weinig vanaf weten levert dan weinig op.

Maar bij veel concurrentie is de start-up juist wél gebaat bij gediversifieerde netwerken, met een paar procent minder faillissementen tot gevolg. In een dergelijke omgeving heeft de start-up veel aan complementaire kennis en inzichten waarmee het zich kan onderscheiden. Homogene netwerken zijn in deze competitieve omgeving juist nadelig, wat leidt tot 15% meer faillissementen. Het risico dat andere bedrijven er met de ideeën van de start-up vandoor gaan, is te hoog.

Simpelweg zo veel mogelijk netwerken is dus niet voldoende. Het is vooral van belang te begrijpen hoe een netwerk eruit hoort te zien. De betere start-up-programma’s zijn in staat om de omgeving te lezen, en op basis daarvan het type netwerk te ontwikkelen waar hun start-ups baat bij hebben.

 

70%

Wanneer, in een gemiddeld laag-competitieve omgeving, incubators homogene netwerken ontwikkelen, leidt dit tot 73% minder failliete start-ups. Ontwikkeling van diverse netwerken in een dergelijke omgeving leidt juist tot 70% meer faillissementen.

15%

Wanneer, in een bovengemiddeld competitieve omgeving, incubators diverse netwerken ontwikkelen, leidt dat tot een paar procent minder failliete start-ups. Ontwikkeling van een homogeen netwerk leidt in deze omgeving juist tot 15% meer faillissementen.