Tien tips van Frank voor Mona

In reactie op de column “Brief aan Mona Keijzer” in het FD.

Tien tips van Frank voor Mona

Startups zijn jonge, innovatieve, op technologie gebaseerde ondernemingen, met een enorm groeipotentieel. Zij brengen ons innovaties die grote bedrijven minder snel ontwikkelen, omdat deze minder goed bij hun bestaande competenties passen. Hierbij 10 tips om startups te helpen.

Het belangrijkste ingrediënt van een startup is menselijk kapitaal. Het zijn mensen die met goede ideeën komen, slimme combinaties maken, en deze naar de markt brengen.  

  1. Om voldoende innovatieve startups te creëren is het belangrijk om ondernemerschap te bevorderen in het (hoger) onderwijs.
  2. Daarnaast hebben groeiende startups werknemers nodig. Goed onderwijs draagt ook hier bij. Verder moeten startups snel personeel kunnen aannemen en, in geval van tegenslag, ontslaan. Ook doorbetaling bij ziekte kan dodelijk zijn. Aanpassing van WWZ is dus nodig.

Een tweede ingrediënt is kennis. Kennis is de basis voor het product of de service die de startup levert. Hoe unieker die kennis, hoe waardevoller het bedrijf.

  1. We moeten meer investeren in onderzoek. Silicon Valley is groot geworden doordat de Amerikaanse overheid miljarden stak in defensie- en energieonderzoek aan Stanford.
  2. Er ligt op dit moment een sterke focus of software en IT-startups. De Europese Commissie hoopt zelfs dat dit ooit gaat leiden tot een Europese Google. Aan dit soort luchtfietserij kunt u beter geen tijd besteden. Veel IT-startups zijn nauwelijks innovatief. Bovendien is er al een Google, en ook nog een Facebook, een Apple, etc. Deze bedrijven kopen alle concurrenten op. Nederlands startupbeleid moet zich richten op nieuwe technologieën. U kunt denken aan robotica, nanotechnologie, duurzame materialen of gentherapie. Dit zijn sectoren waar miljarden te verdienen valt, maar waar de markt nog onvoldoende functioneert.

Een derde ingrediënt is financiering. Hier ligt een valkuil. Ondernemers klagen vaak dat ze te weinig geld hebben, maar dit kan ook komen doordat hun bedrijven niet goed genoeg zijn. Toch is er in Nederland meer geld nodig voor startups, vooral om bedrijven op te schalen.

  1. De overheid kan private investeerders naar Nederland lokken. Afschaffing van de dividendbelasting is niet mijn favoriete maatregel uit het regeerakkoord, maar kan helpen.
  2. Daar waar de markt niet functioneert kan de overheid helpen met garantstellingen, of aandeelhouder worden. Dit gebeurt deels al, maar de financieringsinstrumenten zijn te versnippert. De overheid dient haar schaarse middelen verder vooral in te zetten voor startups die met nieuwe technologieën werken. Oh, en u kunt stoppen met de MIT-regeling. Deze is weinig effectief, de meeste bedrijven innoveren ook wel zonder dit soort subsidies.

Een vierde ingrediënt is een afzetmarkt. Zonder klanten is er immers geen handel. Ook zijn klanten cruciaal voor feedback op het product.    

  1. De overheid treedt vaker als ‘launching customer’ op. Hiervoor dient de (vrij nieuwe) aanbestedingswet nog eens goed tegen het licht gehouden te worden.
  2. Regelgeving die innovatie belemmert wordt weggenomen, en de overheid creëert regelvrije zones voor experimenten met bijvoorbeeld drones of nieuwe business modellen.

Ten slotte zullen startups die eerst een zegen leken, toch niet zo ethisch blijken. Über is een voorbeeld. Ook zullen veel kwetsbare mensen door onvermijdelijke innovaties hun baan verliezen.

  1. Investeer veel in leven-lang-leren op alle niveaus. Een baan is niet meer voor het leven.
  2. Jan Peter Balkenende riep “Fatsoen moet je doen.” Het is tijd dat we daar werk van maken. Dit is het CDA wel toevertrouwd.

 

Tien tips van Frank voor Mona

De maatschappelijke waarde van Pokémon Go

Pidgey, Magikarp en Tentacool! Het zijn enkele van mijn vangsten in het immens populaire spel Pokémon Go! Met 20 miljoen actieve spelers is deze game dé hit van deze zomer. Het spel brengt mensen met elkaar in contact op straat, in café’s, winkels, musea en in de natuur. Ook brengt het gebruikers in aanraking met augmented reality-technologie, en is het een voedingsbodem voor innovatie.

Er zijn ook nadelen. Pokémonjagers geven regelmatig overlast aan niet-gebruikers, zoals bij Kijkduin, ziekenhuizen of uw eigen achtertuin. Helemaal ongevaarlijk is het spel ook niet. Tijdens mijn eigen Pokemonjacht ben ik twee keer bijna aangereden door een bus. De positieve en negatieve gevolgen doen mij afvragen wat de maatschappelijke waarde is van een product als Pokémon Go. Hoe kan je die vergroten?

Het succes van start-ups wordt vooral afgemeten in economische waarde. Die zit wel snor: maker Niantic wordt gewaardeerd op $3,5 mrd. Maar dit soort start-ups heeft vaak ook een aanzienlijke sociale, ecologische of technologische impact. Vaak nemen start-ups én hun investeerders niet de moeite om deze gevolgen goed in kaart te brengen.

Pokémon Go lijkt vooral sociale, technologische en economische gevolgen te hebben, en een vrij beperkte ecologische impact. Ik schat in dat dit innovatieve spel meer maatschappelijke waarde heeft dan spelletjes als Candy Crush. De maatschappelijke waarde zou echter nog groter zijn als Niantic vooraf beter rekening gehouden had met de negatieve impact van Pokémon Go.

Als we willen dat start-ups verder kijken dan het eigen economisch resultaat, dan moeten zij zich vooraf bewuster worden van hun maatschappelijke impact. Dit kan bijvoorbeeld via incubatieprogramma’s. Verder kan slim overheidsbeleid start-ups motiveren om maatschappelijke waarde te creëren, en waardeverlies te beperken. Om deze ideeën te onderzoeken hoop ik financiering te krijgen van het NWO-programma Maatschappelijk Verantwoord Innoveren. Het gaat dan niet om Pokémon Go, maar om maatschappelijk relevante IT-start-ups op het gebied van energie, transport, gezondheid en sociale media.

Als u net zo enthousiast bent als ik, dan kunt u meedoen door advies te geven, te helpen met valoriseren of de benodigde middelen bij te dragen. Dat geeft hopelijk meer maatschappelijke waarde dan jagen op Pokémon.

Ouders, laat uw kind netwerken!

Je kunt er niet vroeg genoeg mee beginnen. Dit moet men bij het start-up-bootcamp gedacht hebben toen werd besloten een Startup Kids Zomerkamp te organiseren.

Als uw kinderen tussen 10 en 12 jaar oud zijn, kunnen ze in augustus een week ‘samen ideeën bedenken, dromen waarmaken, plezier hebben, vrienden maken, vloggen, bloggen, creatief zijn, teamwerk, gamen en coole dingen bouwen.’ De overnachting is niet inbegrepen, maar u bent van harte welkom op de demoday op vrijdag. Kosten: € 250, al met al een bescheiden bedrag om uw kind op te leiden tot miljardair.

Startup Kids is tekenend voor de huidige start-uphype, waarin incubator- of accelerator-achtige programma’s ons om de oren vliegen. De grote vraag is of dit allemaal tot beter presterende start-ups leidt. Eenduidig wetenschappelijk bewijs hiervoor ontbreekt. Daarom hebben wij van Start-up Insights zelf onderzoek gedaan onder 859 start-ups in West-Europa en Noord-Amerika. Als prestatiemaat keken we naar opgehaald geld in de vorm van investeringen, leningen, subsidies, et cetera. Deze maat is vooral ­populair onder incubators die snelle groei willen bewerkstellingen.

En wat blijkt: het werkt. Start-ups die in een incubator zitten of zaten, hebben twee keer zoveel kans om meer dan € 100.000 op te halen als hun collega’s die het zonder incubator doen (zie kader). Het is dat ik geen kinderen heb, anders wist ik wel wat ze zouden doen deze zomer.

De literatuur geeft twee mogelijke verklaringen voor het resultaat. Enerzijds leren start-ups van de feedback, coaching en ‘ideation’-sessies in incubators, en gaan daardoor beter presteren. Maar hiervoor vinden wij, alle moeite ten spijt, geen bewijs.

Anderzijds kunnen start-ups via hun incubator-netwerk in contact komen met investeerders en andere geldschieters. Deze hypothese wordt ondersteund. Ondernemers die niet in een incubator zitten, maar via hun eigen netwerk toegang hebben tot financiers, halen evenveel geld op als hun collega’s die in een incubator zitten of ­zaten. De incubator is dus niet voor iedereen nodig, maar nuttig voor velen.

De Startup Kids gaan ongetwijfeld een prachtige week tegemoet, met veel ‘fun’ en ‘coole activiteiten’. Maar de belangrijkste activiteit is netwerken: vriendjes maken dus. Dit kan bij Startup Kids, maar ook aan het strand of op de camping.

Raspaarden en hindernissen

Politieke Junkies, dat te volgen is op npopolitiek.nl, is mijn favoriete actualiteitenprogramma. Marike Stellinga (NRC) is mijn favoriete economisch journalist, Mathijs Bouman (FD) is goede tweede. Lodewijk Asscher (PvdA) is sympathiek, maar nóg niet mijn favoriete minister.

In maart ging Marike Stellinga bij Politieke Junkies op geestige wijze in op Asschers hoopvolle Wet werk en zekerheid (Wwz), die op 1 juli 2015 is ingegaan, en de weerbarstige economische realiteit.

Asscher noemt de Wwz een ‘raspaard dat nog decennialang door onze arbeidsmarkt gaat huppelen’. De wet brengt de periode van tijdelijke arbeidscontracten terug naar twee jaar. Een volgende verlenging betekent automatisch een vast contract, terwijl het lastiger is geworden om personeel te ontslaan.

De wet maakt de arbeidsmarkt dus minder flexibel en dit belemmert ambitieuze techstart-ups, die vaak opereren in een dynamische en riskante markt. Ze moeten snel personeel kunnen aannemen, maar ook kunnen ontslaan bij een mismatch of koerswijziging. Start-ups hebben geen ruimte voor niet-functionerende of overbodige medewerkers.

Gevolgen
Na twee jaar moeten start-ups kiezen om óf flexibel te blijven, óf schaars talent vast te houden.

Daarnaast laten CBS-cijfers zien dat de Wwz de twee­deling op de arbeidsmarkt versterkt. Het aantal vaste banen in Nederland daalt al jaren. Na invoering van de wet lijkt het aantal vaste contracten voor middelbaar en hoogopgeleiden zich echter te stabiliseren, terwijl de daling voor lager opgeleiden onverminderd doorzet (zie kader).

Dit is eenvoudig te verklaren. Een opleiding geeft aan dat je bepaalde kennis en vaardigheden hebt. Hoogopgeleide mensen zijn hierdoor lastiger te vervangen, en krijgen daardoor eerder een vast contract. Mensen met een lage opleiding missen dit voordeel, en kunnen dus eerder aan het einde van de contractduur vervangen worden. De Wwz maakt hoogopgeleide ‘hipsters’ minder flexibel. En dat is precies het personeel waar start-ups het van moeten hebben.

De Wwz is daarmee dus hinderlijk voor start-ups. Na twee jaar moeten zij kiezen om óf flexibel te blijven, óf schaars talent vast te houden.

Ik ben voldoende politieke junkie om te weten dat Asscher — ondanks deze tweedeling — deze wet voorlopig niet gaat intrekken. Hopelijk wordt dit ‘huppelende raspaard’ aan de formatietafel ingeruild voor een degelijk werkpaard.

 

Kleintjes worden groot — en vals

Mijn favoriete stripheld is zonder twijfel Dagobert Duck. Ik vind het prachtig om te lezen hoe hij de opbrengsten van zijn goudmijn investeert in een lokale Canadese bank, en zo de grondslag legt voor het grootste zakenimperium ter wereld. Het levensverhaal van Oom Dagobert benadrukt dat hij — zeker in het begin — elke cent eerlijk en door hard werken verdiend heeft.

Veel start-ups beginnen ook met de droom eerlijk geld te verdienen, en soms zelfs met een visie voor een betere wereld — iets waar Dagobert wat minder mee bezig is. Starbucks veranderde koffie in een luxeproduct en bedrijven als Google en Facebook maakten de grote wereld een stuk kleiner. En de samen-leving verkeerde in jubelstemming toen Uber opkwam als alternatief voor de ‘oplichters’ in de taxibranche.

Gedurende zijn leven verandert Dagobert steeds meer in een norse wantrouwige eend, die belasting ontduikt (en voor de liefhebber: ontwijkt), maling heeft aan milieuregels en zijn familie uitbuit met een uurloontje van 30 cent.

Ook veel sympathieke start-ups verliezen hun onschuld naarmate ze groot worden. Uber hinderde opzettelijk zijn concurrenten door valse taxiritten te bestellen, Starbucks houdt er — samen met vele anderen — een dubieuze belastingmoraal op na, terwijl bedrijven als Google en Facebook systematisch onder vuur liggen vanwege privacy.

Recentelijk bleek dat Zenefits, de snelst groeiende start-up van Silicon Valley in 2015, gefraudeerd heeft met diploma’s voor verzekeringsagenten. En zo zijn er nog tal van andere verhalen. Het is blijkbaar niet eenvoudig om netjes zaken te doen in een hypercompetitieve markt, waarin je moet blijven groeien om je investeerders tevreden te houden.

Er zijn ook enige lichtpuntjes. Dagobert blijkt elke keer toch wel van zijn familie te houden en de koffie van Starbucks wordt ethisch geproduceerd. Google is niet alleen een uitstekende werkgever, maar schakelt ook steeds meer over op duurzame energie. Dit soort initiatieven zijn nodig om de sympathie van het publiek en overheden te behouden en bij te dragen aan een betere wereld. Sommige ondernemers gaan hierin heel ver. Mark Zuckerberg geeft veel van zijn geld weg. Althans: hij brengt dit onder in een investeringsfonds. Hij lijkt dus toch een beetje op de ouwe Dagobert Duck.

Land van de niet rijzende start-up

Sony, Toyota, Mitsubishi: het zijn ‘keiretsus’, oftewel conglomeraten uit Japan die tot de crisis van de jaren negentig de wereld verrijkten met hun nieuwste snufjes. Het ‘land van de rijzende zon’ gold als hét voorbeeld van een succesvolle kenniseconomie. De ­Japanse technologie-indicatoren zijn nog steeds uitstekend (zie onderstaand kader), maar de economie staat toch al twintig jaar stil en nieuwe snufjes komen tegenwoordig vooral uit Amerika.

Opvallend genoeg spelen start-ups in het Japanse innovatiesysteem bijna geen rol, terwijl dit ideale vehikels zijn om technologie naar de markt te brengen. Deze week bezoek ik met studenten Innovation Sciences bedrijven in Osaka en Kyoto. Wij hebben al een aantal factoren gezien die het gemis aan ­Japanse start-ups verklaren.

Ten eerste staat het land bol van tradities en sociale normen die minutieus gevolgd worden. Start-ups passen hier niet bij. Na je afstuderen stuur je als jong talent je handgeschreven cv naar tientallen, soms honderden grote bedrijven. Eenmaal aangenomen heb je niet alleen een baan voor het leven, maar ook een nieuwe familie, bestaande uit je baas en je collega’s. Met deze mensen breng je meer tijd door dan met je eigen gezin. Als je al een bedrijf start, dan doe je dat doorgaans na tien jaar werken. Voor deze nieuwe bedrijven is het erg lastig om talent aan te trekken.

Verder duldt de Japanse cultuur geen fouten. Mislukken betekent eeuwige schande: je carrière komt op een dood spoor. Start-ups zijn echter zeer riskant. Wij zien mislukking steeds vaker als een wijze les voor de toekomst. Niet in Japan dus…

Ten slotte is de taal een punt: Japanners spreken slecht Engels. Sommige start-ups zijn ‘big in Japan’, maar internationaal onzichtbaar.

Innovatie in Japan past beter bij conglomeraten dan bij start-ups. Er worden wel pogingen ondernomen om start-ups een plek te geven. In Osaka-Kyoto worden incubators en netwerken opgericht, vaak in samenwerking met conglomeraten die talent en marktkansen zoeken of bedreigingen willen anticiperen. De onderliggende tradities en sociale normen veranderen echter heel langzaam. Japan is voorlopig dus nog het land van de niet rijzende start-up.

Kerncijfers over innovatie en startups Nederland Japan Verenigde Staten
Inwoners 17 miljoen 127 miljoen 321 miljoen
R&D (als % BNP) 1.97 3.58 2.74
Aantal patenten 2294 265959 285096

Ondernemer, ben jij type A, B of C?

Veel regio’s in de wereld willen innovatieve ondernemers aantrekken. Soms gaat dit vanzelf, zoals in San Francisco, soms moet je meer je best doen. Zo geeft Chili gratis geld weg, en heeft Nederland het start-upvisum ingevoerd. Dit soort beleid behandelt ondernemers vooral als reizende nomaden met laptop. Maar volgens veel onderzoek blijven de meeste ondernemers gewoon thuis. Om deze tegenstelling te begrijpen, onderzocht ik met Fenna Cerutti 935 technologiestarters. Er kwam drie typen ondernemers naar voren.

Test hier wie je bent…

 

Diner

Familie…

A. is voor mij het allerbelangrijkste!

B. is op zijn tijd leuk

C. leidt mij af van mijn start-up

Eigen baas of groeien?

A. Ik heb nu geen geld nodig

B. Ik heb vooral startkapitaal nodig

C. Ik heb vooral groeikapitaal nodig

 

Start- of groeikapitaal?

A. Ik wil eigen baas zijn

B. Ik wil groeien

C. Ik wil wat goed is voor mijn start-up

Ik zoek personeel met…

A. zakelijke en technische kennis

B. zakelijke kennis

C. technische kennis

 

Café

Biertje vanavond?

A. Dan moet ik eerst een oppas regelen

B. Gezellig! Hoe laat?

C. Sorry, ik werk dan aan mijn start-up

Kies je vaak A? Jij bent een regio-koning (30% van de respondenten). Je vindt familie belangrijker dan je start-up. Je hebt personeel, maar hoeft niet groot te worden.

Kies je vaak B? Jij bent een netwerker (20%) die de wereld wil veroveren. Je bent teamplayer, houdt van koffietentjes en creativiteit, en blijft op reisafstand van familie en vrienden.

Kies je vaak C? Jij bent een toegewijde serieel (50%). Start-ups zijn voor jou alles en je wilt overal heen verhuizen voor je bedrijf. Je hebt weinig op met je woonplaats of hippe, creatieve regio’s. Gewoon is al gek genoeg! Je had eerder een bedrijf en weet wat nodig is voor succes. Zakelijk kom je er wel, maar cijfer jezelf niet te veel weg voor je start-up.

Beleid

type A blijft graag thuis, maar er zijn twee typen ‘nomaden’ waarop je beleid kunt maken. Type B laat zich ­lokken door creativiteit en goede ­koffie: het ‘Amsterdamse’ type. En type C gaat voor goede ­economische condities: het type ‘Eindhoven’.

Creëer draagvlak voor uw platform

Startup Haarlem. Startup Almere. Overal worden platforms opgezet om ondernemerschap te bevorderen, liefst met een incubator. Overheden geven graag steun aan deze platforms. Wie wil nu niet het nieuwe Silicon Valley worden? Zo wordt Nederland in rap tempo een start-upland.

Deze verandering wordt vooral gedreven door hoogopgeleide jonge mannen en één formidabele dame op leeftijd. Start-upland heeft op termijn grote gevolgen voor iedereen. Daarom moet helder worden wat het draagvlak voor start-upland is. Dit draagvlak kent drie gerelateerde gebieden.

Ten eerste: sociaal-politieke acceptatie. In een start-upland worden bestaande markten verstoord en verdwijnen bestaande zekerheden, net als vertrouwde namen als V&D. Veel wetgeving houdt deze bestaande markten in stand. De aanbestedingswet en het topsectorenbeleid bevoordelen bestaande bedrijven. Deze regels aanpassen biedt grote kansen, maar ook grote onzekerheden.

Er zijn nu twee Kamerleden met start-upland bezig. Veel te weinig om echt steun te verwerven

Twee: marktacceptatie. Gebrek aan vraag is de belangrijkste reden dat start-ups het loodje leggen. Overheden kunnen start-ups een zetje geven door services als IT of catering aan start-ups te gunnen. Hiervoor is wel nodig dat de publieke aanbestedingsregels vriendelijker worden. Verder kunnen proeftuinen als ‘living labs’ worden gebruikt om innovaties te testen en te ‘showcasen’ voor een internationaal publiek.

Drie: lokale acceptie. In San Francisco zijn burgers boos omdat wonen mede door start-ups onbetaalbaar wordt. De opbrengsten van een start-up moeten niet alleen naar oprichters en investeerders gaan, maar gedeeld worden met de gemeenschap, bijvoorbeeld via sponsoring van een voetbalclub. Het uitbesteden van werk naar lagelonenlanden is not done, net als het onderbetalen van werknemers of belasting ontduiken. Dit alles moet je niet in wetgeving vangen: het hoort bij maatschappelijk verantwoord ondernemen.

Tot nu toe zijn twee Kamerleden bezig met start-upland: Lucas (VVD) en Verhoeven (D66). Dat is veel te weinig. Zonder draagvlak staat over enkele jaren het Malieveld vol burgers die tegen start-upland protesteren. Daarom stel ik voor start-upland tot verkiezingsthema te maken in 2017. Lokale platforms zoeken draagvlak op de drie terreinen. Dat is harder nodig dan nog een incubator.

 publieke-acceptatie

De beste start-ups zien we te weinig

De start-up heeft zich de laatste jaren ontwikkeld van ondergeschoven kind tot oogappel van de media, overheden en multinationals. Zelfs Mark Rutte ging deze maand in gesprek met Nederlandse start-ups in Silicon Valley. Maar wanneer je kritisch kijkt, valt het op dat de meeste aandacht gaat naar een kleine groep bedrijven.

Om in de schijnwerpers te staan is het vooral belangrijk dat je ‘iets’ met internet doet, zoals een app bouwen. Je mag ook een tastbaar product maken, maar dat moet wel op tafel passen en verbonden zijn met het internet: een slimme lamp, armband of speaker. Zulke producten sluiten goed aan bij het brede publiek. Ook worden deze start-ups vaak opgericht door jonge ondernemers: dat past perfect in het beeld van de dynamische jongeren die de gevestigde orde op zijn kop zetten.

Kortom, als je jong en ‘connected’ bent, ligt Nederland anno 2016 aan je voeten: een stoel bij De Wereld Draait Door, een kop koffie met Neelie en een gratis bureau in een co-working space. Als je dan ook nog succesvol bent, ben je helemaal hot. Iedereen hoort dan dat betaaldienst Adyen als eerste Nederlandse start-up een waardering van ¤ 1 mrd heeft, dat Blendle uitbreidt naar de VS en dat WeTransfer $ 25 mln heeft binnengehaald.

In dit mediacircus worden de start-ups die iets minder hot zijn massaal genegeerd. Ten onrechte, want ze doen het goed. Zo stak farmacieconcern AstraZeneca in december ¤ 3,5 mrd (!) in Acerta Pharma, een biotechbedrijf uit Oss. En Dezima, dat cholesterolverlagende middelen maakt, werd overgenomen voor ¤ 1,5 mrd. Bijna niemand kent ze. Maar Fortune magazine noemt Acerta terecht ‘the best venture capital deal you’ve never heard of’.

Deze start-ups zijn minder mediageniek omdat hun producten veel complexer zijn en verder van ons af staan. De oprichters dragen geen hoodies maar witte jassen, en werken in een laboratorium in plaats van een co-working space. Wat mij betreft wordt het tijd om meer aandacht aan deze bedrijven te besteden. Dan pas krijgen start-ups de volwaardige positie in onze economie die ze verdienen.

 

Start-ups

Acerta Pharma. Farmacieconcern AstraZeneca steekt hier € 3,5 mrd in.

Dezima is voor $ 1,5 mrd verkocht aan Amgen.

Mapper Lithographics, dat de `duurste start-up van Nederland’ is genoemd, heeft € 300 mln aan investeringen.

Luxexcel uit Kruiningen houdt zich bezig met 3D-printen van optische lenzen en heeft al € 17,5 mln opgehaald

Ampelmann maakt loopbruggen voor de off-shore en heeft ruim 350 medewerkers.

Een doorstart in de wetenschap

Ik ga nooit promoveren! Dat riep collega-columnist Marijn van Weele vier jaar geleden. Afgelopen vrijdag leverde Marijn zijn proefschrift in. Ik was jarig en kreeg een dissertatie die feestelijk was omwikkeld met een Ferrarirode strik. Het markeerde het einde van vier jaar vriendschappelijke samenwerking. Marijn wil zijn kennis in de praktijk toepassen en zoekt werk buiten de universiteit. Misschien dat hij zelfs een start-up begint. Ook ik, 35 lentes jong, ging nadenken over mijn carrière.

Ik begin geen start-up: daarvoor vind ik de wetenschap te leuk. Maar het systeem werkt niet mee. In 2012 ontving ik een Veni-beurs voor talentvolle onderzoekers. Ik kreeg meer tijd voor onderzoek en kon meer publiceren. Dit leidt weer tot wetenschappelijke erkenning en meer geld. In deze positieve spiraal, de ‘credibility cycle’, blijven succesvolle onderzoekers wetenschap bedrijven.

Een mooi systeem, maar het ontmoedigt wetenschappers om kennis te valoriseren. Die verloopt het effectiefst via menselijk kapitaal, bijvoorbeeld als ik een adviesbureau begin. Maar de wetenschap is competitief (de kans op een Veni-beurs is 15%) en start-ups komen niet voor in de credibility cycle. Ik kan mijn tijd dus beter gebruiken voor wetenschappelijke publicaties, anders raak ik achter op collega’s en vergooi ik mijn academische loopbaan. Ik kan dus wel uit de wetenschap, maar niet zomaar terug. Daarmee staat de wetenschap los van de rest van de arbeidsmarkt.

Een wetenschapper die gaat ondernemen loopt veel risico, want in geval van falen is het lastig om de oude baan op te pakken. Terugkeren in de wetenschap moet dus makkelijker worden: via terugkeerbeurzen of door kennisbenutting meer te waarderen. Dat vergroot de kennisuitwisseling met de samenleving. Onderwijs en onderzoek wordt zo relevanter en de nieuwe netwerken kunnen zelfs tot extra financiering leiden. En wie weet begin ik dan een start-up, terwijl Marijn de Nobelprijs wint.

insights