Creëer draagvlak voor uw platform

Startup Haarlem. Startup Almere. Overal worden platforms opgezet om ondernemerschap te bevorderen, liefst met een incubator. Overheden geven graag steun aan deze platforms. Wie wil nu niet het nieuwe Silicon Valley worden? Zo wordt Nederland in rap tempo een start-upland.

Deze verandering wordt vooral gedreven door hoogopgeleide jonge mannen en één formidabele dame op leeftijd. Start-upland heeft op termijn grote gevolgen voor iedereen. Daarom moet helder worden wat het draagvlak voor start-upland is. Dit draagvlak kent drie gerelateerde gebieden.

Ten eerste: sociaal-politieke acceptatie. In een start-upland worden bestaande markten verstoord en verdwijnen bestaande zekerheden, net als vertrouwde namen als V&D. Veel wetgeving houdt deze bestaande markten in stand. De aanbestedingswet en het topsectorenbeleid bevoordelen bestaande bedrijven. Deze regels aanpassen biedt grote kansen, maar ook grote onzekerheden.

Er zijn nu twee Kamerleden met start-upland bezig. Veel te weinig om echt steun te verwerven

Twee: marktacceptatie. Gebrek aan vraag is de belangrijkste reden dat start-ups het loodje leggen. Overheden kunnen start-ups een zetje geven door services als IT of catering aan start-ups te gunnen. Hiervoor is wel nodig dat de publieke aanbestedingsregels vriendelijker worden. Verder kunnen proeftuinen als ‘living labs’ worden gebruikt om innovaties te testen en te ‘showcasen’ voor een internationaal publiek.

Drie: lokale acceptie. In San Francisco zijn burgers boos omdat wonen mede door start-ups onbetaalbaar wordt. De opbrengsten van een start-up moeten niet alleen naar oprichters en investeerders gaan, maar gedeeld worden met de gemeenschap, bijvoorbeeld via sponsoring van een voetbalclub. Het uitbesteden van werk naar lagelonenlanden is not done, net als het onderbetalen van werknemers of belasting ontduiken. Dit alles moet je niet in wetgeving vangen: het hoort bij maatschappelijk verantwoord ondernemen.

Tot nu toe zijn twee Kamerleden bezig met start-upland: Lucas (VVD) en Verhoeven (D66). Dat is veel te weinig. Zonder draagvlak staat over enkele jaren het Malieveld vol burgers die tegen start-upland protesteren. Daarom stel ik voor start-upland tot verkiezingsthema te maken in 2017. Lokale platforms zoeken draagvlak op de drie terreinen. Dat is harder nodig dan nog een incubator.

 publieke-acceptatie

Wat is uw doel: groei of macht?

Start-ups zijn passé. Anno 2016 tel je pas mee als je start-up is uitgegroeid tot ‘scale-up’ of ‘unicorn’. Pas dan creëer je banen en enorme winsten voor jezelf en je investeerders. Kortom: dan is iedereen blij. Toch?

Niet te snel.

Snelle groei pakt vaak verkeerd uit voor starters. Onderzoek van Noam Wasserman laat zien dat de oprichters van snelgroeiende start-ups relatief vaak worden vervangen door externe ceo’s. Bij ruim de helft van de onderzochte start-ups gebeurde dit binnen drie jaar. En minder dan 25% van de oprichters was nog steeds ceo toen hun start-up naar de beurs ging. In driekwart van deze gevallen vertrok de oprichter niet vrijwillig, maar werd hij of zij door de raad van bestuur -gedwongen af te treden.

Hier zijn twee verklaringen voor. Ten eerste vraagt het managen van een volwassen bedrijf om andere vaardigheden dan het leiden van een start-up. Snelgroeiende start-ups vragen dus relatief snel om ander leiderschap.

Ten tweede wordt groei vaak gefinancierd met extern kapitaal, dat investeerders ter beschikking stellen in ruil voor aandelen en een stoel in de raad van bestuur. Om groeikapitaal op te halen moeten oprichters dus een deel van hun macht afstaan. Daarmee groeit het risico dat ze vervangen worden.

Daarom moet je als oprichter van een start-up helder zijn in wat je wilt bereiken. Als je de grootste wilt worden, dan moet je bereid zijn om een deel van je macht op te geven. Omgekeerd geldt dat als je de baas wilt blijven, je moet accepteren dat je het potentieel van je start-up niet volledig kunt benutten. Je moet dus kiezen tussen groei en macht. Wasserman noemt dit het ‘dilemma van de ondernemer’.

Veel ondernemers denken dat ze groei en macht kunnen combineren. Zij worden hierin geïnspireerd door bijvoorbeeld Mark Zuckerberg, die een enorm bedrijf opbouwt, maar zelf de touwtjes in handen houdt. Maar Zuckerberg vormt een uitzondering op de regel.

Als ondernemer moet je dus eerlijk zijn naar jezelf. Anders word je straks bij je eigen bedrijf ontslagen, en mondt jouw succesvolle scale-up toch uit in een persoonlijke teleurstelling.

Groei_of_macht

Niet iedereen kan een Facebook zijn

Vandaag word ik 32. En zoals elk jaar ben ik daarmee Mark Zuckerberg twee maanden voor. Behalve dat we beiden net een kind hebben en beiden ondernemer zijn, houdt de vergelijking verder snel op. Een en ander heeft ongetwijfeld te maken met het succes van Facebook: een van de snelst groeiende en later ook winstgevendste bedrijven van de afgelopen tijd.

De teneur in start-upland was jarenlang: groter, groter, groter. Maar inmiddels worden er openlijk vraagtekens gesteld bij die focus op groei. Dit om meerdere redenen. De groeimanie waarin ondernemers en investeerders elkaar gek maken, creëert een start-upzeepbel. De zucht naar groei verleidt bedrijven bovendien om de wet te overtreden, zoals al eerder in het FD werd opgemerkt.

Zweedse en Australische onderzoekers stelden de vraag of vroege groei inderdaad een voorbode is voor succes. Erkennend dat bedrijven in het beginstadium een afweging moeten maken tussen winst of en groei, vergeleken ze die twee varianten bij ruim 7000 bedrijven.

De bedrijven die eerst winst genereren, blijken zich vaker te ontwikkelen tot een groeiend én renderend bedrijf dan bedrijven die eerst groei realiseren. Voor startende bedrijven in het algemeen geldt dus: zorg eerst dat je een waardevol product hebt waarvoor men bereid is te betalen en ga dan pas groeien.

Ondanks de statistische verbanden en theoretische onderbouwing lijkt dit volledig in te gaan tegen de strategie van veel moderne start-ups. Volgens mij zijn er ten minste drie uitzonderingen op de regel die uit dit onderzoek komt:

· platforms creëren een plek waar vraag en aanbod samenkomen. Hoe groter het platform, hoe waardevoller: ‘winner takes all’;

· sociale netwerken verbinden gebruikers rondom een bepaald onderwerp. Ook hier geldt: hoe groter hoe beter. Het verdienmodel is doorgaans gebaseerd op advertenties en data van ­gebruikers;

· monopoliestrevers proberen door snel te groeien eerst zeer dominant te worden in een bepaalde markt. Daarna gebruiken zij hun monopoliepositie om geld te verdienen.

Er zijn dus goede redenen dat een startend bedrijf zich eerst op groei richt. Bekende voorbeelden illustreren het potentiële succes. Maar laten we niet doen alsof alle start-ups Facebooks zijn en laten we geen enorme groei van hen verwachten voordat ze hun verdienmodel hebben gevonden.

De beste start-ups zien we te weinig

De start-up heeft zich de laatste jaren ontwikkeld van ondergeschoven kind tot oogappel van de media, overheden en multinationals. Zelfs Mark Rutte ging deze maand in gesprek met Nederlandse start-ups in Silicon Valley. Maar wanneer je kritisch kijkt, valt het op dat de meeste aandacht gaat naar een kleine groep bedrijven.

Om in de schijnwerpers te staan is het vooral belangrijk dat je ‘iets’ met internet doet, zoals een app bouwen. Je mag ook een tastbaar product maken, maar dat moet wel op tafel passen en verbonden zijn met het internet: een slimme lamp, armband of speaker. Zulke producten sluiten goed aan bij het brede publiek. Ook worden deze start-ups vaak opgericht door jonge ondernemers: dat past perfect in het beeld van de dynamische jongeren die de gevestigde orde op zijn kop zetten.

Kortom, als je jong en ‘connected’ bent, ligt Nederland anno 2016 aan je voeten: een stoel bij De Wereld Draait Door, een kop koffie met Neelie en een gratis bureau in een co-working space. Als je dan ook nog succesvol bent, ben je helemaal hot. Iedereen hoort dan dat betaaldienst Adyen als eerste Nederlandse start-up een waardering van ¤ 1 mrd heeft, dat Blendle uitbreidt naar de VS en dat WeTransfer $ 25 mln heeft binnengehaald.

In dit mediacircus worden de start-ups die iets minder hot zijn massaal genegeerd. Ten onrechte, want ze doen het goed. Zo stak farmacieconcern AstraZeneca in december ¤ 3,5 mrd (!) in Acerta Pharma, een biotechbedrijf uit Oss. En Dezima, dat cholesterolverlagende middelen maakt, werd overgenomen voor ¤ 1,5 mrd. Bijna niemand kent ze. Maar Fortune magazine noemt Acerta terecht ‘the best venture capital deal you’ve never heard of’.

Deze start-ups zijn minder mediageniek omdat hun producten veel complexer zijn en verder van ons af staan. De oprichters dragen geen hoodies maar witte jassen, en werken in een laboratorium in plaats van een co-working space. Wat mij betreft wordt het tijd om meer aandacht aan deze bedrijven te besteden. Dan pas krijgen start-ups de volwaardige positie in onze economie die ze verdienen.

 

Start-ups

Acerta Pharma. Farmacieconcern AstraZeneca steekt hier € 3,5 mrd in.

Dezima is voor $ 1,5 mrd verkocht aan Amgen.

Mapper Lithographics, dat de `duurste start-up van Nederland’ is genoemd, heeft € 300 mln aan investeringen.

Luxexcel uit Kruiningen houdt zich bezig met 3D-printen van optische lenzen en heeft al € 17,5 mln opgehaald

Ampelmann maakt loopbruggen voor de off-shore en heeft ruim 350 medewerkers.

Een doorstart in de wetenschap

Ik ga nooit promoveren! Dat riep collega-columnist Marijn van Weele vier jaar geleden. Afgelopen vrijdag leverde Marijn zijn proefschrift in. Ik was jarig en kreeg een dissertatie die feestelijk was omwikkeld met een Ferrarirode strik. Het markeerde het einde van vier jaar vriendschappelijke samenwerking. Marijn wil zijn kennis in de praktijk toepassen en zoekt werk buiten de universiteit. Misschien dat hij zelfs een start-up begint. Ook ik, 35 lentes jong, ging nadenken over mijn carrière.

Ik begin geen start-up: daarvoor vind ik de wetenschap te leuk. Maar het systeem werkt niet mee. In 2012 ontving ik een Veni-beurs voor talentvolle onderzoekers. Ik kreeg meer tijd voor onderzoek en kon meer publiceren. Dit leidt weer tot wetenschappelijke erkenning en meer geld. In deze positieve spiraal, de ‘credibility cycle’, blijven succesvolle onderzoekers wetenschap bedrijven.

Een mooi systeem, maar het ontmoedigt wetenschappers om kennis te valoriseren. Die verloopt het effectiefst via menselijk kapitaal, bijvoorbeeld als ik een adviesbureau begin. Maar de wetenschap is competitief (de kans op een Veni-beurs is 15%) en start-ups komen niet voor in de credibility cycle. Ik kan mijn tijd dus beter gebruiken voor wetenschappelijke publicaties, anders raak ik achter op collega’s en vergooi ik mijn academische loopbaan. Ik kan dus wel uit de wetenschap, maar niet zomaar terug. Daarmee staat de wetenschap los van de rest van de arbeidsmarkt.

Een wetenschapper die gaat ondernemen loopt veel risico, want in geval van falen is het lastig om de oude baan op te pakken. Terugkeren in de wetenschap moet dus makkelijker worden: via terugkeerbeurzen of door kennisbenutting meer te waarderen. Dat vergroot de kennisuitwisseling met de samenleving. Onderwijs en onderzoek wordt zo relevanter en de nieuwe netwerken kunnen zelfs tot extra financiering leiden. En wie weet begin ik dan een start-up, terwijl Marijn de Nobelprijs wint.

insights

Start-ups moet je niet teveel helpen

In Nederland werken honderden mensen aan het stimuleren en ondersteunen van ondernemerschap: incubators, accelerators, overheden, ontwikkelingsmaatschappijen en economic boards. Dat is zinvol, want hoewel startups economisch meetellen, zijn ze vrij kwetsbaar. Ongeveer één derde overleeft het eerste jaar niet, en ruim de helft is na vijf jaar weg. Aan alle stimulators en ondersteuners dus de schone taak om deze statistieken te verbeteren.

Omdat start-ups ondersteunen lastig is, was de aanpak tot nu toe vraaggericht: laat startupondernemers zelf aangeven waar de knelpunten zitten, en neem die dan weg.

Maar als je startup-ondernemers vraagt wat het probleem is, zeggen ze vaak dat er te weinig geld is. Daarom is het beleid er nu veelal op gericht om het leven van de startup gemakkelijker te maken: met goedkope bedrijfsruimte, aantrekkelijke financiering en belastingvoordelen.

Vanuit de managementliteratuur weten we echter dat niet-unieke middelen, zoals geld, nooit de sleutel zijn tot lange-termijn succes. Onderzoek naar incubators toont zelfs aan dat het aanbieden van triviale middelen negatief kan werken. Je hebt de unieke middelen nodig die moeilijk te kopiëren zijn, zoals technologie, imago, kennis of de samenwerkingsrelatie.

Waarop lopen start-ups dan vast? CBInsights, een bedrijf dat start-updata verzamelt en verkoopt, houdt bij waarom startups mislukken (zie kader). Volgens de ondernemers en de investeerders heeft dat meestal niet met geld te maken. Geldgebrek staat wel op plaats 2, maar is hier vooral een symptoom. De echte reden is dan het ontbreken van een markt of een goed team.

Gelukkig dringt dit besef door bij incubators en accelerators en richten die zich op het vormen van start-upteams en het valideren van het idee. Toch klinken er af en toe nog steeds de oproep om startups in de watten te leggen. Maar slaafs hun verlanglijstjes vervullen is dus niet echt zinvol.

 

 

Schermafbeelding 2016-02-20 om 13.49.09

 

Verder lezen:

 

 

 

Ondernemerschap in hart onderwijs

Als alumnus van de Universiteit Utrecht ontvang ik jaarlijks het verzoek om gul te geven. Recent was het weer zover. Op een crowdfundingwebsite kon ik bijdragen aan een beurzenprogramma voor topstudenten of de bouw van een vogelhut in de Botanische Tuinen. Ook kon ik vanaf € 50.000 een eigen fonds instellen met een academisch doel naar keuze.

In 2014 haalden veel Nederlandse universiteiten enkele tonnen tot een miljoen aan giften binnen. Ter vergelijking: Amerikaanse topuniversiteiten zoals MIT en Stanford ontvingen in 2014 respectievelijk $ 380 en $ 982 mln van vermogende alumni en vrienden zoals succesvolle ondernemers.

Nu gaat het mij niet zozeer om de giften, maar om het feit dat Nederlandse afgestudeerden na hun opleiding niet heel dankbaar lijken. De Nationale Studenten Enquête laat zien dat veel studenten vinden dat opleidingen te theoretisch zijn en slecht voorbereiden op de arbeidsmarkt.

Ondernemerschapsonderwijs kan dit verbeteren, want dit vraagt om eigenzinnigheid, initiatief, samenwerken en netwerken: belangrijke elementen voor een succesvolle loopbaan die passen bij de ambitie om wetenschappelijke en maatschappelijke leiders af te leveren.

Ondernemerschapsonderwijs bestaat al op veel Nederlandse universiteiten, maar is vaak nauwelijks vak­inhoudelijk geïntegreerd. Hierdoor draagt het niet bij aan het ervaren nut van een opleiding. Bijvoorbeeld: welke problemen kun je als ondernemend muziekwetenschapper oplossen? Ook gaat men nu voorbij aan het feit dat ondernemerschap per vakgebied verschilt. Vergelijk bijvoorbeeld het snelle IT-ondernemerschap met de kapitaalintensieve life sciences.

Het plaatsen van ondernemerschap in het hart van het onderwijs vraagt om een radicale omslag. Het academische carrièrebeleid moet zich minder richten op publicaties, maar er is meer nodig. Ik hoor graag uw ideeën!

Met wat geluk leidt dit alles tot een collegezaal met de naam van een dankbare of vermogende alumnus erop. In afwachting hiervan heb ik aan de vogelhut gedoneerd.

 

Bul & Business

Maatregelen voor ondernemerschapsonderwijs

● Valorisatie door onderzoekers belonen.
● Praktijkleerstoelen.
● Universiteit als proeftuin voor zakelijke ideeën.
● Alumnibeleid vanuit de opleiding.


Het leeuwendeel van de grote bijdragen aan private universiteiten komt van rijke, succesvolle ondernemers die iets terug willen geven. Als je meer ondernemers creëert, worden er meer succesvol, en krijgen wij meer terug.

Medewerker van MIT, VS.

Gecontroleerde verstoring

We weten dat de komende decennia veranderingen nodig zijn in onder meer de energiesector, de banken en de zorg. In dat proces is een belangrijke rol weggelegd voor ondernemers. Die herkennen ongewone kansen en durven andere risico’s te nemen dan bestaande spelers.

Er is dus veel aandacht voor startups: bij Neelie Kroes, incubators, universiteiten, regionale spelers en bij investeerders. Die aandacht draagt bij aan de groei van startups die bestaande sectoren verstoren en onze economie voorzien van de nodige vernieuwing.

Maar er zit ook een andere kant aan deze veranderingen. Het verstoren van bestaande sectoren brengt namelijk kosten met zich mee. Bestaande bedrijven gaan failliet omdat ze zich niet kunnen aanpassen aan de verandering.

Een recent voorbeeld is V&D, dat het aflegde tegen nieuwe spelers als Bol.com en Cool Blue. Hierdoor zitten de oude toeleveranciers van V&D nu met onbetaalde facturen, verliezen mensen hun baan, zitten vastgoedeigenaren met lege gebouwen en kunnen we met V&D-bonnen alleen nog de open haard aansteken.

De keerzijde van grote verstoringen treft niet alleen de retail. Denk bijvoorbeeld aan wat Airbnb losmaakt onder hoteleigenaren. Of aan de kosten van het sluiten van kolencentrales. Bestaande spelers komen in moeilijkheden, claimen bescherming of compensatie en vakbonden uiten hun zorgen over de werkenden.

De positieve en verstorende kanten van verandering worden zelden met elkaar in verband gebracht. De meeste organisaties bevinden zich van nature aan een van de twee kanten en de botsing ertussen laten we over aan toeval. Maar hoe verhouden de korte termijnkosten van een verstoorde sector zich tot de lange termijnbaten van de verandering? Hoe verhouden de nadelen van een mogelijk failliet Shell zich tot de voordelen van een duurzaam energiesysteem dat grotendeels nog gebouwd moet worden?

De beantwoording van dit soort vragen vergt niet alleen onderzoek naar de kosten en baten van verandering. Het komt uiteindelijk neer op een normatieve discussie en politieke afwegingen. Ik ben benieuwd welke partij de twee zijden van verandering kan verbinden in zijn programma. Wie maakt zich sterk voor gecontroleerde verstoring?

 

Schermafbeelding 2016-01-30 om 11.20.59

Afbeelding van [finno], via Sprout.nl

Further reading: Meadowcroft 2009

 

 

Het gaat om het geld, maar er is méér

Hoe ziet de ideale incubator eruit? Als je deze vraag aan incubatormanagers stelt, antwoorden velen dat je een incubator moet zien als een ‘bootcamp’ waarin start-ups getraind worden. Deze incubators organiseren workshops om start-ups te leren pitchen en ze koppelen start-ups aan ervaren ondernemers die als coach fungeren.

Andere incubators zien zichzelf als ‘hubs’. Zij creëren een hechte community van ondernemers en verbinden start-ups met potentiele klanten of investeerders. Bij hubs draait het dus met name om het netwerken.

Maar wat zoeken ondernemers in een incubator? Om deze vraag te beantwoorden heb ik samen met afstudeerder Menno Groen een onderzoek uitgevoerd onder 900 ondernemers in Europa en de VS. Daarin laten we iedere ondernemer acht keer kiezen tussen twee hypothetische incubators met verschillende eigenschappen. Door de keuzes van de ondernemers te analyseren kunnen we hun belangrijkste eigenschappen afleiden.

De resultaten laten drie typen ondernemers zien (zie kader). Over het geheel genomen blijkt de financiering veruit de belangrijkste eigenschap. Het aanbieden van training, coaching en netwerken heeft weinig invloed op de keuze van de ondernemer. Sterker nog, dergelijke diensten schrikken sommige ondernemers zelfs af.

Dit betekent overigens niet dat deze diensten niet waardevol zijn. Onervaren ondernemers zijn vaak ‘onbewust onbekwaam’. Zij beseffen niet dat zij de begeleiding en netwerken van de incubator hard nodig hebben, en kunnen pas achteraf hun incubator op waarde schatten. Zo zei een Nederlandse ondernemer: ‘We kwamen bij de incubator uit omdat we dachten makkelijk geld te kunnen ophalen. Maar het geld verbleekte bij wat we erbij kregen. Zo hebben we onze eerste klant via het netwerk van de incubator gekregen’. Het is dus niet onterecht dat incubators zichzelf zien als een bootcamp of hub. Zolang ze zich ook maar realiseren dat ondernemers vooral op zoek zijn naar een zak met geld.

Drie Types

Welke soorten ondernemers zoeken een incubator?

● De golddigger zit krap bij kas en kijkt daarom met name naar financiering. Daarnaast vindt hij de reputatie van de incubator belangrijk.
● De individualist wil geen gedoe en kiest minder snel incubators die training, coaching en netwerken aanbieden. Financiering staat centraal.
● De allrounder maakt een weloverwogen keuze. Financiering is ook hier het belangrijkst, maar hij zoekt ook coaching, training, netwerken én kantoorruimte.

2016: het jaar van meer diversiteit

Diversiteit op de werkvloer was in 2015 hot. Zitten er genoeg vrouwen op hoge posities? Zijn er voldoende arbeidsgehandicapten in dienst? En niet-westerse werknemers?

Diversiteit is ook belangrijk binnen de innovatiewetenschap, alleen richten wij ons meer op zaken als kennis, studie of werkervaring. Het idee is dat diversiteit tot nieuwe combinaties kan leiden die de basis vormen voor innovatie.

Maar wat betekent diversiteit voor de prestaties van start-upteams? Samen met student Matthee le Cointre onderzocht ik dit voor IT-start-ups in Zweden, hét walhalla van de diversiteit!

Onze resultaten gaan tegen het idee van nieuwe combinaties in. Minder diverse teams wat betreft studie en werkervaring halen de hoogste omzet. Wat wel bijdraagt, is als de teamleden gewerkt hebben bij meerdere organisaties uit de eigen industrie. Dit komt waarschijnlijk vooral doordat men een groter netwerk heeft, en minder door nieuwe combinaties. Tegen de maatschappelijke trend in blijkt ook dat teams met meer mannen een hogere omzet halen.

Zijn alle diversiteitsverhalen daarmee sociaal correcte onzin? Mogelijk ligt de uitkomst aan het onderzoeksveld. Binnen de IT wordt het geld vaak niet verdiend met écht vernieuwende innovaties. Daarom is er minder behoefte aan diverse teams die nieuwe combinaties maken. De IT-sector wordt gedomineerd door mannen die de markt van vroege gebruikers (mannen) aanvoelen. Daarom is het voor investeerders (mannen) aantrekkelijk om te investeren in teams met (jawel!) mannen uit de IT. In een omgeving waarin ‘mannelijke’ IT-bedrijven met een laag risicoprofiel bevoordeeld worden, presteren minder diverse teams dus beter.

Dit is jammer, want hierdoor loopt men ook kansen mis. Zo sprak ik in Israël een zogenoemde ‘mompreneur’: moeder en ondernemer tegelijk. Zij ontwikkelde een locatieapp voor moeders met pasgeboren of jonge kinderen. Wat zijn leuke kinderwinkels? Waar kun je borstvoeding geven? Geen man die hierop komt. Het is niet per se technologisch innovatief, maar de markt is enorm! Daarom is het goed dat er initiatieven zijn als ‘TheNextWomen’ en ‘Girls in Tech’. Laat 2016 dus het jaar van ­diversiteit in start-ups zijn!

Bijdragen

Zaken die bijdragen aan de omzet van IT-startupteams
● Aantal teamleden
● Teamleden komen uit verschillende organisaties
● Aandeel mannelijke teamleden

”Mijn investeerder is ook een moeder, maar ze heeft nog nooit in een start-up geïnvesteerd. Toen ik haar over mijn visie vertelde, was ze meteen verkocht. Ze wilde zelfs een incubator voor vrouwen beginnen. Ik denk dat het nodig is.”
‘Mompreneur’ uit Jeruzalem

 

Further reading:

Final Thesis Matthee le Cointre

Nikolaus Franke, Marc Gruber, Dieter Harhoff, Joachim Henkel (2006) What You Are Is What You Like – Similarity Biases in Venture Capitalists’ Evaluations of Start-Up Teams