De mythe van de ondernemer als drop-out

Ik was laatst bij een Nederlandse hogeschool om te praten over inpassing van ondernemerschap in het onderwijs. Tijdens die bijeenkomst zei één van de aanwezigen dat dit zinloos was. Want, zo zei hij: échte ondernemers maken hun opleiding toch niet af. Kijk maar naar Steve Jobs, Bill Gates en Mark Zuckerberg. De overige aanwezigen begonnen direct instemmend te knikken.

Het is een beeld dat bij veel mensen heerst: twintigers die stoppen met hun opleiding om in een garage of op zolder aan een start-up-idee te werken. Peter Thiel, één van de oprichters van PayPal, gelooft zo sterk in dit beeld dat hij studenten zelfs betaalt om met hun opleiding te stoppen. Met zijn ‘Thiel Fellowship’ geeft hij jaarlijks 30 drop-outs $100.000 om een start-up op te richten. Volgens hem moedigt het educatiesysteem vooral aan tot het denken binnen bestaande kaders, en is het daarom ongeschikt voor radicale vernieuwing.

$100.000 is een hoop geld, maar denk goed na voordat je je bij Thiel aanmeldt. Het stereotype van de succesvolle ondernemer als drop-out is namelijk niet gegrond. Er is een vrij sterke relatie tussen het opleidingsniveau van de ondernemer en het succes van de start-up. De Kauffman Foundation deed recent onderzoek naar meer dan 500 hightechbedrijven die tussen 1995 en 2006 werden opgericht in de VS. De grote meerderheid van de oprichters van deze start-ups was hoogopgeleid (zie kader). Bovendien bleken start-ups die waren opgericht door laagopgeleide ondernemers beduidend minder succesvol.

Kortom, Steve Jobs en consorten zijn de uitzonderingen die de regel bevestigen. Als je student bent met de ambitie om te gaan ondernemen is het hoogstwaarschijnlijk beter om hun voorbeeld niet te volgen.

De drie lessen van Google

Het is de fantasie van menig startend ondernemer: aan het hoofd staan van een miljardenbedrijf als Google. Je zwemt in het geld, de groten der aarde vragen om jouw advies en je hebt de partner van je dromen. Alle reden om een start-up te beginnen.

Toch is de kans dat jij de nieuwe Google opricht erg klein. Sterker nog, onderzoek van de Kauffman Foundation laat zien dat het aandeel snelgroeiende tech-start-ups in de VS momenteel afneemt. In Europa zijn de kansen doorgaans niet beter. Achteraf gezien betrad Google in 1998 op het juiste moment de opkomende IT-markt. Welke drie lessen kunnen we van Google leren?

1 Kennis

In tegenstelling tot veel van de huidige IT-start-ups was Google gebaseerd op destijds onderscheidende wetenschappelijke kennis. Google-oprichters Larry Page en Sergey Brin waren promovendi aan Stanford University toen ze de basis voor hun zoekmachine ontwikkelden: het zogenaamde PageRank algoritme, dat is vernoemd naar Larry Page. Dit soort wetenschappelijke kennis doe je op aan de universiteit. Page en Brin hebben hun proefschrift overigens nog steeds niet afgemaakt.

2 Brede toepassing

Baseer je start-up op breed toepasbare kennis die de basis vormt voor toekomstige innovaties. Google verbreedde zich niet alleen online (Gmail, Google Maps, Chrome, Android), maar investeerde ook in tastbare producten, zoals Nexus-telefoons en zelfrijdende auto’s. Bedenk hierbij dat IT inmiddels geen opkomende markt meer is. Het is daarom verstandig om je ook op andere technologieën te richten, zoals nanotechnologie en 3D-printing.

3 Ondernemerszin

Een goede techneut is niet per se een goede ondernemer. Page en Brin realiseerden zich dat zij niet alleen in staat waren om Google te laten groeien. Daarom deelden zij hun macht in 2001 met Eric Schmidt als ceo. Toen hij genoeg ervaring had, werd Page alsnog ceo.

Overigens: zelfs als je deze lessen volgt, blijft de kans dat jij de nieuwe Google opricht natuurlijk klein. En mocht je niet slagen, dan kun je die partner van je dromen nog altijd ontmoeten via een datingapp van een minder innovatieve collega-start-up.

Groeigrenzen

In 1998 werden er naast Google in de VS ongeveer 20.000 IT start-ups opgericht. In 2011 was dit aantal gedaald tot 12.000. Tegenwoordig neemt het aantal start-ups weer toe.

In 1998 was een bedrijf in de VS dat hoorde bij de 10% snelst groeiende hightechbedrijven ongeveer 32% groter dan een gemiddeld hightechbedrijf. In 2011 was dit nog maar 20%. De verschillen in groei nemen dus af.

Zorg dat je het netwerk begrijpt

Een van de belangrijkste dingen die start-up-programma’s zoals incubators en accelerators doen, is het bouwen van netwerken. Via deze netwerken vinden start-ups kapitaal, marktkennis en technologische kennis. De grote vraag is: bij wat voor een netwerk is de start-up het meest gebaat? Het netwerk kan namelijk homogeen zijn, met vergelijkbare organisaties die in hetzelfde veld opereren. Maar het netwerk kan ook divers zijn, met investeerders, onderzoekers, klanten, toeleveranciers en overheden. Een uitgebreid Amerikaans onderzoek van Amezcua en collega’s uit 2014 laat zien dat dit afhangt van de hoeveelheid concurrentie die de start-up ondervindt.

Wanneer er weinig concurrentie is, heeft de startup vooral veel aan een homogeen netwerk. Dit leidt tot maar liefst 75% minder faillissementen. De voordelen van samenwerking, zoals het uitwisselen van kennis of het verbeteren van de reputatie van de bedrijfstak, wegen ruimschoots op tegen de risico’s dat andere start-ups informatie stelen of marktaandeel afpakken. Gediversifieerde netwerken blijken in deze omgeving juist nadelig en leiden tot 70% meer faillissementen onder de start-ups. De activiteiten van de start-up zijn relatief onbekend en praten met mensen die er weinig vanaf weten levert dan weinig op.

Maar bij veel concurrentie is de start-up juist wél gebaat bij gediversifieerde netwerken, met een paar procent minder faillissementen tot gevolg. In een dergelijke omgeving heeft de start-up veel aan complementaire kennis en inzichten waarmee het zich kan onderscheiden. Homogene netwerken zijn in deze competitieve omgeving juist nadelig, wat leidt tot 15% meer faillissementen. Het risico dat andere bedrijven er met de ideeën van de start-up vandoor gaan, is te hoog.

Simpelweg zo veel mogelijk netwerken is dus niet voldoende. Het is vooral van belang te begrijpen hoe een netwerk eruit hoort te zien. De betere start-up-programma’s zijn in staat om de omgeving te lezen, en op basis daarvan het type netwerk te ontwikkelen waar hun start-ups baat bij hebben.

 

70%

Wanneer, in een gemiddeld laag-competitieve omgeving, incubators homogene netwerken ontwikkelen, leidt dit tot 73% minder failliete start-ups. Ontwikkeling van diverse netwerken in een dergelijke omgeving leidt juist tot 70% meer faillissementen.

15%

Wanneer, in een bovengemiddeld competitieve omgeving, incubators diverse netwerken ontwikkelen, leidt dat tot een paar procent minder failliete start-ups. Ontwikkeling van een homogeen netwerk leidt in deze omgeving juist tot 15% meer faillissementen.

Immigranten zijn ondernemers

Met de huidige vluchtelingencrisis is het moeilijk je voor te stellen dat er landen zijn die immigranten verwelkomen met $ 35.000. Toch is dat precies wat Chili al vijf jaar doet als ondernemers hun nieuwe bedrijf in Chili vestigen. Doel is dat deze ‘rolmodellen’ lokale ondernemers inspireren. Chili hoopt dat buitenlandse start-ups het lokale ondernemingsklimaat verbeteren. De eerste resultaten suggereren dat de ‘import start-ups’ inderdaad bijdragen aan de gewenste cultuuromslag.

Ook in andere landen zijn immigranten belangrijk voor het ondernemingsklimaat. In Israël werd in de jaren negentig een incubatorprogramma opgericht om hoogopgeleide Russische immigranten start-ups op te laten richten. En ook in Silicon Valley zijn oprichters van start-ups relatief vaak immigrant (zie kader).

Een mogelijke verklaring is dat immigranten gedreven zijn, weinig te verliezen hebben en dus meer risico’s nemen. Buitenlandse ondernemers brengen diversiteit en creativiteit, en hun netwerken verbinden lokale start-ups met buitenlandse klanten of investeerders. Of, zoals men in Israël zegt: ‘Een land van immigranten is een land van ondernemers’.

Dit geldt echter niet voor iedere immigrant. Het zijn vooral hoogopgeleide immigranten die start-ups beginnen. En ook voor deze groep is ondernemen geen garantie voor integratie. In Israël hoorde ik kritiek op het ondernemingsklimaat, omdat vrouwen en Arabische Israëliërs geen gelijke kansen zouden krijgen. En hoewel in Silicon Valley immigranten vaak start-ups beginnen, laat onderzoek zien dat zij relatief weinig terechtkomen op topposities van grote technologiebedrijven of investeerders.

Ook in Chili verloopt de integratie van buitenlandse start-ups niet optimaal: 80% gaat na afloop van het Start-up Chile-programma weer terug. Zij vinden de omstandigheden in Chili voor start-ups (nog) niet goed genoeg. Financiële lokkertjes alleen zijn dus niet voldoende om een ondernemingsklimaat te creëren dat ook op de langere termijn aantrekkelijk is.

Silicon immigrants

52,3%

Ruim de helft van de start-ups in Silicon Valley is door één of meerdere immigranten opgericht. Voor alle start-ups in de VS bedraagt dit ongeveer een kwart (Bron: Kauffman Foundation).

Digitale ondernemers van heinde en verre

  • De biologische vader van Steve Jobs groeide op in Syrië.
  • Sergey Brin, een van de oprichters van Google, werd geboren in Moskou.
  • De ouders van eBay-oprichter Pierre Omidyar komen uit Iran.

Wachtkamers en groeikamers

Ondernemen hoef je tegenwoordig niet meer alleen te doen. Overal ter wereld schieten incubation- en accelerationprogramma’s als paddenstoelen uit de grond. In 2012 werd hun aantal wereldwijd geschat op ongeveer 7000 (nbia.org) en ook in Nederland zijn er tientallen (dutchincubator.nl).

Tot nu toe is er echter nog geen overtuigend bewijs dat al deze goedbedoelde initiatieven ook daadwerkelijk bijdragen aan start-up-successen. Dit komt deels doordat er geen goede data zijn, maar ook doordat er grote verschillen zijn tussen programma’s. Veel, met name publieke initiatieven ondersteunen start-ups die (soms nog) niet veelbelovend zijn en ze dragen niet bij aan de groei van deze bedrijven.

Deze programma’s noem ik hier even ‘wachtkamers’. Ze geven start-ups vooral de tijd om zichzelf te ontdekken en dragen bij aan een start-up-cultuur. Verder zijn er ‘groeikamers’ die de start-ups helpen te groeien — vandaar de naam. Hier zijn ook grote verschillen. De investeringen die een goed aangeschreven programma als Rockstart uit Amsterdam aantrekt zijn bijvoorbeeld vele malen kleiner dan Amerikaanse topprogramma’s zoals Y-Combinator en 500startups. Nederland is nu eenmaal geen Silicon Valley.

Om te profiteren van een incubator of accelerator moet deze passen bij de behoeften en ambities van je start-up. Veel ondernemers laten zich in hun keuze voor een programma leiden door materiële zaken zoals gratis geld of door goedkope kantoorruimte. Onderzoek laat echter zien dat immateriële zaken veel belangrijker zijn voor succes. Voorbeelden zijn kennis of contacten met ervaren mentoren, investeerders en potentiële klanten. Groeikamers zijn beter in deze immateriële zaken. Deelname aan een topprogramma geeft je bedrijf ook nog een goede reputatie, waardoor investeerders eerder zaken met je willen doen.

Helaas zijn groeikamers vaak erg selectief. In 2014 lieten Y-Combinator, 500startups en ook Rockstart elk minder dan 3% van de aanmeldingen toe. Dit is lager dan de kans op toelating tot Harvard. Maar, op de lange termijn heb je veel meer aan een topprogramma dan aan gratis startkapitaal en een bureau. Mocht je niet meteen toegelaten worden, dan kun je je altijd nog aansluiten bij een wachtkamer. Daarvan zijn er immers genoeg. Je kunt je dan voorbereiden op de volgende kans om toegelaten te worden tot een echte topper.

 

Incubation & Acceleration

7000

In 2012 bestaan er wereldwijd al zo’n 7000 incubation- en accelerationprogramma’s

3%

Toelating tot groeikamers bedroeg in 2014 minder dan 3% van de aanmelders

Ruim baan voor de smart-up!

Leden van de Staten Generaal, Het gaat goed met Nederland. 2030 is het jaar waarin ons land is uitgeroepen tot de meest innovatieve economie ter wereld. Jonge Nederlandse hoogtechnologische bedrijven als SkyNed, Lowlands BioInformatics en PowPlex hebben zich ontwikkeld tot multinationals met een omzet van tientallen miljarden. Dit schept werkgelegenheid en welvaart voor velen. Ook draagt deze nieuwe generatie bedrijven bij aan innovaties die helpen om grote maatschappelijke uitdagingen het hoofd te bieden. Talent uit binnen- en buitenland vestigt zich rond de Nederlandse scienceparks, waar fundamenteel onderzoek wordt gecombineerd met hoogwaardig onderwijs en een sterke cultuur van ondernemerschap.

 

Vijftien jaar geleden kon niemand vermoeden dat de troonrede van 2030 deze optimistische openingszinnen zou bevatten. Hoe is het mogelijk dat Nederland zich in vijftien jaar tijd opwerkte tot de beste speler op het gebied van innovatie en ondernemerschap? Frank van Rijnsoever en Marijn van Weele, onderzoekers aan de Universiteit Utrecht, blikken terug. Zij laten zien dat de overheid vijftien jaar geleden een paar slimme beleidsmaatregelen doorvoerde die dit succes mede mogelijk hebben gemaakt.

 

2010-2015 Innovatie en hoger onderwijs

De opmaat naar het succes begon in de periode 2010-2015. Het innovatiebeleid bestond toen vooral uit het steunen van zogenaamde topsectoren. In 2011 werden negen brede gebieden aangewezen waarin de Nederlandse economie op dat moment goed presteerde. Voorbeelden zijn Agri & Food, Energie en Hightech. Bedrijven binnen deze sectoren kregen extra financiering om, samen met kennisinstellingen, zich innovatief te ontwikkelen. De regie van elke topsector was in handen van vertegenwoordigers van grote bedrijven, mkb’ers en universiteiten.

Maar het stimuleren van innovatie bij bestaande bedrijven bleek niet voldoende. Bedrijven als Google en Tesla lieten zien dat echte innovatie vooral afkomstig is van nieuwkomers. Na 2010 werd ook het stimuleren van start-ups daarom een steeds belangrijker onderdeel van het Nederlandse innovatiebeleid. Dit leidde onder andere tot veel incubators, ondernemerschapscursussen, start-upcompetities en in 2015 tot de oprichting van StartupDelta. Het doel van deze initiatieven was om technologisch ondernemerschap in Nederland aantrekkelijker te maken.

Ook vonden er in die jaren grote hervormingen plaats in hoger onderwijs en wetenschap. De studiebeurs werd in 2015 afgeschaft en de opbrengsten hiervan werden geïnvesteerd om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren. In datzelfde jaar werd de Nationale Wetenschapsagenda opgesteld, die aangaf welke kennis in de toekomst ontwikkeld moest worden. Deze agenda werd nadrukkelijk gekoppeld aan de topsectoren. Ook werd er meer ingezet op kennisbenutting, bijvoorbeeld via ‘open access’-publicaties en valorisatieparagrafen (wat is de toegevoegde waarde?) bij aanvragen voor onderzoeksgeld.

 

Eind 2015 De doorbraak

De grote doorbraak kwam eind 2015. Politici en bestuurders zetten drie belangrijke bevindingen op een rijtje:

Oude bedrijven te behoudend Radicale innovatie komt niet van de bestaande spelers in de topsectoren. De gevestigde bedrijven hebben weliswaar de middelen, maar zijn gebonden aan hun bestaande kennis, apparatuur, cultuur, relaties en industriële regelgeving. Daarnaast is het op de korte termijn winstgevender en veiliger om te blijven investeren in datgene waar je al goed in bent, dan te investeren in verandering. Hierdoor bleef de echt vernieuwende kennis onontdekt of onbenut: deze kennis paste immers niet in de businessmodellen van de bestaande spelers.

Niet alle start-ups vernieuwend Start-ups kunnen een bron van radicale innovatie zijn, maar dit is niet vanzelfsprekend. De bestaande start-upmaatregelen trokken vooral start-ups in informatietechnologie (IT) aan, die zich bezighielden met het ontwikkelen van bijvoorbeeld apps, digitale deelplatformen en onlineservices. Hoewel enkele van deze IT-start-ups uitgroeiden tot succesvolle bedrijven, maakten zij vooral gebruik van bestaande technologieën om kleine verbeteringen te realiseren. Veel investeerders bleken niet bereid om grote technologische risico’s te lopen, en er waren te weinig ondernemers met de juiste wetenschappelijke en zakelijke kennis. Radicale vernieuwing door start-ups bleef dus uit.

Know-what is geen knowhow Het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek ontwikkelden kennis die de basis kon vormen voor radicale innovatie. De wetenschap was sterk gericht op het produceren van schriftelijke output in de vorm van wetenschappelijke publicaties, rapporten of presentaties. Deze documenten bevatten vooral feitelijke kennis, de zogenaamde ‘know-what’. Echter, de meest effectieve vorm van kennisbenutting is via menselijk kapitaal: afgestudeerden en onderzoekers. Zij hebben naast de ‘know-what’ ook de onmisbare know-how om kennis naar innovaties te vertalen.

 

Geen van deze bevindingen was echt nieuw, maar ze leidden wel tot de volgende conclusie:

Nederland moet inzetten op start-ups die gebaseerd zijn op de volgende generatie technologieën. Voorbeelden hiervan zijn nanotechnologie en gentechnologie. Deze technologieën zijn breed toepasbaar, vormen een platform voor toekomstige innovaties en dragen bij aan het oplossen van de uitdagingen van de 21ste eeuw. Het hoger onderwijs en onderzoek hebben als taak om ondernemende specialisten op deze gebieden op te leiden. De topsectoren hebben als taak om de succeskansen voor startende ondernemingen zo groot mogelijk te maken.

Men besefte dat IT belangrijk zou blijven, maar wel in combinatie met de volgende generatie technologieën. De vraag was alleen welke technologieën dat zouden zijn? Hier bleek de brede Nederlandse kennisbasis, met zwaartepunten in de topsectoren een voordeel. Men kon op maar liefst negen paarden wedden…

 

2016-2020 Van start-ups naar smart-ups

Deze doorbraak gaf het kabinet-Rutte 2 de impuls om een allesomvattende innovatieagenda op te stellen. Het doel was om snelgroeiende bedrijven te stimuleren die zijn gefundeerd op geavanceerde wetenschappelijke kennis en die een platform bieden voor nieuwe innovaties en bedrijvigheid. Deze bedrijven werden al snel aangeduid als ‘smart-ups’. Kern van de smart-upagenda was om start-upbeleid te integreren in het hoger onderwijs, in wetenschappelijk onderzoek en in het topsectorenbeleid. Hieronder volgen de belangrijkste maatregelen uit de smart-upagenda:

Ondernemerschap in curriculum Ondernemerschap is nu sterker geïntegreerd in het hoger onderwijs. Het is een vast onderdeel van de arbeidsmarkt­oriëntatie bij elke opleiding. Daarnaast geven ondernemers nu gastcolleges, lopen studenten stages bij start-ups en is ondernemerschap bij elke opleiding een aanbevolen keuzecursus. Dit onderwijs richt zich sterk op het samenstellen van multidisciplinaire smart-upteams.

Promovendi waaieren meer uit naar bedrijfsleven

Er zijn meer promovendi, en zij worden niet langer uitsluitend voorbereid op een carrière in de wetenschap. Promovendi worden nu gestimuleerd om de maatschappelijke en commerciële waarde van hun onderzoek te herkennen en te communiceren. Veel promovendi lopen nu minstens een halfjaar stage bij een bedrijf, overheid, of start-up. Deze stages worden gefinancierd door NWO en het bedrijfsleven.

Smart-ups betalen onderwijs voor ondersteuning

Academische onderzoekers worden nu gemotiveerd op te treden in de adviesraad van smart-ups. De persoonlijke betrokkenheid van academici heeft geleid tot een ‘pay it forward’-cultuur, zoals die al langer bestond bij bijvoorbeeld MIT in de VS. Succesvolle ondernemers betalen de universiteit en wetenschappers die aan de basis van het succes stonden van de smart-up nu terug. Dit gebeurt in immateriële vorm, bijvoorbeeld door gastcolleges, het aanbieden van stageplaatsen of het begeleiden van smart-ups. Tegenwoordig wordt er ook terugbetaald in materiële vorm, zoals onderzoeksgeld, of laboratoriumfaciliteiten. Financiële donaties waren al heel normaal in de Verenigde Staten, maar vinden nu ook in Nederland steeds meer plaats.

Incubators en toponderwijs

Universiteiten en hogescholen verbinden zich nadrukkelijk met de incubators binnen de topsectoren (zie onder). Veel universiteiten hadden daarvoor al een eigen incubator, maar vaak had men moeite om deze te vullen met echte hightechstart-ups. Ook staan deze incubators soms te ver van de markt af. Het bleek beter om te investeren in een paar heel goede gespecialiseerde incubators.

Topsector steunt smart-ups

Elke topsector is verplicht om ten minste 10% van zijn tijd en middelen te reserveren voor smart-ups. Dit geld besteden smart-ups nu aan R&D en de aanschaf van geavanceerde apparatuur. Bestaande spelers hebben geen invloed op hoe dit geld besteed wordt.

Incubators op scienceparks

Elke topsector heeft zijn eigen programma voor smart-ups, omdat er verschillen zijn tussen hoe bedrijven in bepaalde industrieën groeien. Als onderdeel van dit programma is er ten minste één incubator per topsector, met een intensief coachingprogramma. De incubators zijn gevestigd op een bestaand sciencepark in de buurt van een universiteit of hogeschool die aansluit bij de topsector. De incubator beschikt, afhankelijk van de sector, over geavanceerde apparatuur in een laboratorium of werkplaats. Daarnaast helpt de incubator bij het toegang verkrijgen tot netwerken en subsidie vanuit de topsector of de WBSO (Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk). Naar Israëlisch voorbeeld worden industriële partijen binnen en buiten Nederland betrokken bij de incubator.

Fondsen voor start-ups

Elke topsector heeft een investeringsfonds om de groei en opschaling van smart-ups te ondersteunen. Deze fondsen investeren specifiek in jonge ‘high-risk high-gain’-ondernemingen die te risicovol zijn voor traditionele (IT)start-upinvesteerders. Elk fonds vraagt aandelen in ruil voor de investering. Het startkapitaal voor het fonds komt uit bijdragen van de regionale ontwikkelingsmaatschappijen, financiële instellingen en industriële partijen. De overheid staat garant voor een deel van de inleg.

Netwerken via topsectoren

Elke topsector helpt met het verkennen en betreden van internationale markten. Smart-ups zijn tegenwoordig een graag geziene gast op handelsmissies. Daarnaast worden netwerken met Duitse, Engelse of Chinese partijen gefaciliteerd. Ten slotte biedt elke topsector, in samenwerking met universiteiten of hogescholen, ook goedkoop of gratis onderwijs aan in de taal en cultuur van belangrijke afzetmarkten. Met name in landen als China heeft dit voor meerdere smart-ups het verschil tussen succes en falen gemaakt.

Aparte bewindspersoon

Men wist dat het niet eenvoudig zou zijn. Het destijds fameuze Silicon Valley, qua omvang vergelijkbaar met de Randstad, had gedurende tientallen jaren miljarden aan overheidsinvesteringen nodig om de meest innovatieve regio te worden. Veel deelnemers aan de topsectoren vonden het niet prettig om 10% van hun budget te moeten inleveren, en er vonden ambtelijke discussies plaats over wie nu precies de macht had in het innovatiebeleid.

Uiteindelijk wist het kabinet veel verzet weg te nemen door een aparte bewindspersoon aan te stellen die de smart-upagenda coördineerde. In 2018 was de agenda volledig ingevoerd. In de jaren daarna werden de huidige nationale iconen als SkyNed (2018), Lowlands BioInformatics (2019) en PowPlex (2019) opgericht. Vele smart-ups zouden volgen tot aan 2030, het jaar waarin het staatshoofd stelt dat Nederland de meest innovatieve economie ter wereld is geworden.

Neelie, zo kun je een succes maken van StartupDelta

Neelie Kroes wil als ambassadeur van StartupDelta van Nederland een walhalla voor innovatieve bedrijven maken. Maar om dat te bereiken moet er zo snel mogelijk een viertal obstakels uit de weg worden geruimd, zo stellen twee onderzoekers in een open brief.

Geachte mevrouw Kroes, Beste Neelie,

Een belangrijke verklaring voor het falen van start-ups in Nederland is dat ze te vaak een product leveren dat ogenschijnlijk prachtig is, maar waar uiteindelijk niemand op blijkt te zitten wachten. Wij schrijven u om ervoor te zorgen dat uw StartupDelta een ‘product’ wordt dat optimaal aansluit op de behoeften van zijn ‘klanten’: het Nederlandse start-up-ecosysteem. Dit betekent dat de oplossingen van StartupDelta moeten aansluiten op de problemen die hier spelen. Hieronder bespreken we vier van deze problemen, mét mogelijke oplossingen.

We hopen hiermee te voorkomen dat StartupDelta het zoveelste ‘Silicon Somewhere’ wordt. Er bestaat immers al een kerkhof met goedbedoelde maar mislukte pogingen om Silicon Valley te kopiëren. Beleidsmakers zoeken al decennialang naar het recept voor succesvolle ecosystemen. En hoewel de ingrediënten daarvan bekend zijn — slimme mensen, voldoende kapitaal, gunstige regelgeving, goede infrastructuur en effectieve netwerken — is de exacte invulling overal verschillend. Elk ecosysteem functioneert binnen zijn eigen fysieke, culturele en historische context: dat bepaalt het succes. Silicon Valley bouwt op het idee van ‘the American Dream’, waarin de selfmade man ongeacht zijn afkomst kan uitgroeien tot miljardair. Maar het kopiëren van dit model leidt elders zelden tot succes.

Gelukkig geeft u aan dat u niet van plan bent om Silicon Valley te kopiëren. Toch suggereert de retoriek rond StartupDelta iets anders: Nederland moet ‘Europe’s West Coast’ worden, ‘de volgende Google moet uit Europa komen’, en we moeten op zoek naar ‘de Nederlandse Mark Zuckerberg’.

Maar als Silicon Valley niet moet worden gekopieerd, zo zult u zich misschien afvragen, hoe moet het dan wel? Ons antwoord: neem de barrières in het Nederlandse start-up-ecosysteem weg op een manier die bij ons past. We bespreken er hieronder vier.

Dat neemt niet weg dat wij in Nederland bij de opbouw van ons start-up-ecosysteem wel degelijk kunnen leren van het buitenland. Het recente initiatief van StartupDelta om ambitieuze buitenlandse ondernemers gebruik te laten maken van een ‘start-up visum’ bestaat in Singapore al tien jaar. Kritische inpassing van het geleerde in de Nederlandse context is daarbij cruciaal.

 

  1. Nederland heeft vooral veel zzp’ers: creëer een omgeving waarin ambitieuze start-ups groter kunnen denken.

Op het eerste gezicht lijkt Nederland op de goede weg te zijn wat betreft ondernemerschap. Er is geen land waar het aantal ondernemers de afgelopen tien jaar zo sterk gegroeid is als in Nederland. Maar een recordaantal ondernemers is niet voldoende: pas wanneer startende bedrijven hun activiteiten weten op te schalen, leveren ze een bijdrage aan economische groei en innovatie. Tomeloze ambitie is daarvoor een voorwaarde. Maar kijkend naar de ambitie van de Nederlandse ondernemer, ontstaat een heel ander beeld. Nederlanders willen wel graag eigen baas zijn, maar de meeste ondernemers hebben niet de ambitie om hun bedrijf uit te bouwen tot een grotere onderneming.

Een Nederlandse investeerder zei tegen ons: ‘In Nederland zijn zoveel mensen zzp’er, maar zo weinigen van die ondernemers hebben de ambitie om echt iets groters neer te zetten. Nederlanders hebben de neiging om te denken “het is wel best zo”. Terwijl die Amerikanen denken in groot, groter, grootst.’

Zoals u terecht heeft opgemerkt, is er een cultuurverandering nodig waarin Nederland meer open moet staan voor ambitie en risico’s nemen. Deze cultuurverandering grootschalig doorvoeren kost tijd. Het is echter goed mogelijk om in korte tijd op kleine schaal een begin te maken. In het kader hieronder vertellen we hoe dit in Australië gebeurt.

 

  1. De Nederlandse markt is klein: haal de begrenzing van de Nederlandse en de Europese markt weg.

Met 17 miljoen inwoners is de Nederlandse afzetmarkt beperkt. Tegelijkertijd is de Europese markt gefragmenteerd: iedere lidstaat heeft zijn eigen taal, cultuur en regels.

Deze gefragmenteerde markt biedt kansen en bescherming: bijvoorbeeld aan lokale start-ups tegen machtige internationale concurrenten, voor wie het veroveren van de Nederlandse markt zo relatief onaantrekkelijk wordt gemaakt. Mede daardoor verkopen Nederlanders hun spullen op Marktplaats en niet op eBay.

Maar deze gefragmenteerde Europese markt is ook een beperking. Het is nog steeds lastig voor start-ups om de Europese markt te kunnen veroveren, of om vanuit Nederland uit te kunnen groeien tot een miljardenbedrijf. Een Nederlandse IT-ondernemer verwoordt het zo: ‘Ons doel was om 100.000 gebruikers te hebben. Dat is veel voor Nederland, maar dat is niets op een grote markt. Het probleem is dat je bepaalde keuzes gaat maken doordat je in je hoofd hebt zitten dat je naar 100.000 wil, en niet naar 100 miljoen. Het is dus belangrijk dat je vanaf dag één die bril van 100 miljoen opzet. En dat gaat gemakkelijker als je in Amerika zit en automatisch groot moet denken dan wanneer je in Nederland zit en altijd veiligheidshalve denkt: eerst even hier lanceren.’

Gelukkig erkent u dit probleem en probeert StartupDelta onder andere via DutchBasecamp Nederlandse ondernemers te verbinden met Silicon Valley en New York, waar een lokaal netwerk de Nederlandse ondernemers helpt bij uitbreiding of verhuizing naar die regio’s. Daarnaast hebben we in Nederland sterke multinationals, die bij uitstek over de netwerken en distributiekanalen beschikken die onze start-ups zo hard nodig hebben. Wij hopen dan ook van harte dat u ervoor kunt zorgen dat de Nederlandse start-ups en multinationals de handen ineenslaan. Om u hierbij op weg te helpen hebben wij alvast uitgezocht hoe succesvolle start-upprogramma’s in bijvoorbeeld Israël dit doen (zie kader hieronder).

 

  1. Ondernemers en financiers weten elkaar niet te vinden: betrek grote bedrijven bij het ecosysteem.

Een ander zwak punt van het Nederlandse start-up-ecosysteem betreft het gebrek aan financiering. Men heeft het dan vaak over de aanbodkant: er zouden maar weinig investeerders bereid zijn om in risicovolle start-ups te investeren. Maar voor een compleet beeld is het belangrijk om ook naar de vraagzijde te kijken: de ondernemer.

De wens van Nederlandse ondernemers om eigen baas te zijn, strookt niet met de wensen van durfinvesteerders. Investeerders eisen in ruil voor financiering zowel een aandeel als zeggenschap in het bedrijf. Bovendien willen durfinvesteerders in relatief korte tijd hun investering terugverdienen, waardoor succesvolle start-ups in de regel snel worden doorverkocht en de oorspronkelijke ondernemer de zeggenschap over de start-up verliest.

Daarom denken wij dat het belangrijk is om ook naar andere vormen van financiering te kijken. Ook hier zien wij een belangrijke rol weggelegd voor de gevestigde Nederlandse bedrijven. In een sterk Nederlands start-up-ecosysteem zijn gevestigde bedrijven nauw verbonden met start-ups, bijvoorbeeld als investeerder, R&D-partner of als ‘launching customer’. Een Nederlandse multinational die wij interviewden meldde dat dergelijke samenwerkingen vooral een strategisch karakter hebben, en dat financiële resultaten op korte termijn vaak van ondergeschikt belang zijn: “Investeren in start-ups geeft vooral inzichten in nieuwe ontwikkelingen, omdat starters vaak vooruitlopen op de grote trends in de industrie.”

Wij denken daarom dat financieringsmechanismen waarbij grote bedrijven een rol spelen beter passen bij de motivatie en ambities van veel Nederlandse ondernemers dan het Amerikaanse venture-capitalmodel.

 

  1. Ondernemers missen ervaring: stimuleer oudere ondernemers hun kennis te delen met start-ups.

Start-ups worden veelal opgericht door jonge ondernemers met een goed idee en uitstekende technologische vaardigheden. Maar deze jonge ondernemers hebben weinig ondernemingservaring. Het vertalen van de technologie naar een overtuigend businessmodel is daardoor een grote uitdaging. Een Nederlandse start-upcoach beschrijft het zo: ‘De meeste start-ups zijn vanaf het begin verliefd op hun technologie. Stap 1 is om ze te leren naar de markt te kijken.’

Dit is overigens niet uniek voor Nederlandse ondernemers. De Amerikaanse start-upgoeroe Paul Graham verwoordde dit dilemma als volgt: ‘De meeste start-ups redden het niet doordat ze iets maken wat niemand wil hebben.’ Silicon Valley lost dit probleem op door de nieuwe generatie te laten leren van oude rotten. De jonge Steve Jobs had regelmatig contact met de oprichters van HP en Intel. Jaren later gaf Steve Jobs op zijn beurt weer advies aan een nieuwe generatie ondernemers, onder wie Mark Zuckerberg. Deze ‘pay-it-forwardcultuur’ is typerend voor Silicon Valley en zorgt ervoor dat jonge, onervaren ondernemers snel de kneepjes van het vak kunnen leren.

In Nederland hebben we nog maar weinig succesvolle technologieondernemers en is de ‘pay-it-forwardcultuur’ nog niet zo ontwikkeld als in Californië. Maar we hebben wel meer dan genoeg succesvolle en ervaren ondernemers in sectoren zoals vastgoed, media of logistiek. Zij begeven zich alleen niet in de kringen van de huidige jonge ondernemers. Het lijkt ons daarom een uitstekend idee dat u uw netwerk gebruikt om de gevestigde en toekomstige generatie ondernemers bij elkaar te brengen.

 

Australië: Creëer een ambitieuze cultuur

Net als Nederland kende Australië geen typische traditie in ambitieus ondernemerschap. Toch weten organisaties die daar start-ups helpen, zoals ‘incubators’, ‘accelerators’ en ‘co-working spaces’, de laatste jaren een interne ambitieuze cultuur te creëren, die haaks staat op de conventionele Australische normen en waarden. Tijdens wekelijkse bijeenkomsten bespreken ondernemers hun belangrijkste problemen, worden ze aangemoedigd om hun voortgang te delen en staat men uitgebreid stil bij successen. Deze succesverhalen fungeren als voorbeeld waar andere ondernemers door geïnspireerd raken. Zo ontstaat er een ‘gezonde competitie’. In de woorden van een Australische ondernemer: ‘Je wil niet degene zijn die als enige géén investeerder heeft kunnen overtuigen. Als mijn buurman het kan, dan kan ik het ook’.

 

EU: Start-ups nemen hoge vlucht

Sinds de jaren negentig staat het stimuleren van ondernemerschap hoog op de Europese politieke agenda. Vanaf 2004 richten beleidsmakers zich vooral op innovatieve nieuwe bedrijven: start-ups. Hoewel maar een op de zeven nieuwe bedrijven een start-up blijkt, groeien ze snel, creëren ze veel banen en leveren ze technologische oplossingen voor de toekomst. ‘Radicale’ innovaties, zoals fundamenteel nieuwe oplossingen voor mobiliteit, gezondheidszorg en energie, zijn vaak niet afkomstig van gevestigde bedrijven maar van start-ups, die zo de aanjager zijn van nieuwe industrieën. Omdat start-ups ook risicovol zijn, krijgen ze vaak steun van overheden. De laatste jaren neemt het aantal start-ups wereldwijd sterk toe, mede doordat de kosten om een start-up te beginnen en op te schalen drastisch zijn afgenomen door opensourcesoftware, apps en sociale media. Bovendien maakt crowdfunding het gemakkelijker om een idee te financieren.

 

Israël: Kleine markt met armslag

Israël heeft met zijn 8 miljoen inwoners, net als Nederland, een relatief kleine afzetmarkt. Het land is bovendien politiek en economisch geïsoleerd. Toch is Israël een echte ‘start-up-nation’: het beschikt over de grootste hoeveelheid durfkapitaal per hoofd van de bevolking ter wereld, en er staan meer Israëlische dan Europese bedrijven geregistreerd aan de technologie-index Nasdaq. Dit is deels te danken aan gevestigde Israëlische bedrijven die start-ups in contact brengen met het buitenland. Bank Leumi, Israëls grootste bank, zoekt actief naar start-ups die zich bezighouden met ‘financial technology’ en ‘cyber security’. Via Elevator, een Israëlisch investeringsfonds, krijgt Bank Leumi toegang tot de nieuwste technologische start-ups, die van Bank Leumi financiële steun en toegang tot hun internationale netwerk krijgen. Een ander programma is Microsoft Ventures, waarbij start-ups advies krijgen en in contact komen met Microsofts netwerk. Voor Microsoft zijn start-ups interessante partners, overnamekandidaten en potentiële klanten.

START-UP INSIGHTS online!

Welcome to the START-UP INSIGHTS website! We are happy to welcome you to the new hotspot for insights on clean-tech entrepreneurship, innovation and education.

START-UP INSIGHTS is an initiative of the Climate-KIC Innovation Scouts program in cooperation with Utrecht University’s department of Innovation Studies.

On this website you can find state-of-the-art insights on clean-tech entrepreneurship, innovation and education, that will help you to address the challenge of climate change. We apply a wide scope of the subject matter, ranging from ‘what makes entrepreneurial ecosystems work?’ to start-up strategies and best practice models for supporting facilities.

For any questions, please send us an e-mail

Enjoy reading!

Best,

The START-UP INSIGHTS team